Van: Miriam van der Bij en Zita Kolder
Uit: Tijdschrift voor toegepaste Arbowetenschap (2010) nr 3
Samenvatting:
In zeven Universitair Medische Centra (UMC’s) in Nederland zijn door arbeidshygiënisten in de periode 2004-2008 meetprogramma’s opgesteld met het doel te beoordelen of de blootstelling aan inhalatieanesthetica voldoende is beheerst. Uit de resultaten blijkt dat blootstelling aan sevofluraan in operatiekamers (OK’s) voldoende is beheerst bij gebruik van de gangbare anesthesietechnieken. Bronaanpak (intraveneuze toediening, ruggenprik of geen lachgas gebruiken) is de meest effectieve manier om blootstelling aan inhalatieanesthetica te voorkomen.
Bij regelmatig gebruik van kapanesthesie in combinatie met dampanesthesie is een dubbelmasker sterk aan te bevelen. Bij incidenteel gebruik is dit volgens het ALARA principe wel aan te bevelen, maar niet strikt noodzakelijk. Lekkages kunnen eerder optreden bij het gebruik van tubes zonder cuff en larynxmasker ten opzichte van een gecuffte tube. Een tube zonder cuff wordt alleen op medische indicatie toegepast (zoals bij kleine kinderen).
Veel piekblootstellingen kunnen worden voorkomen door een zorgvuldige werkwijze van de anesthesioloog, zoals het kiezen van een goed op het gelaat aansluitend masker, het tijdig dichtdraaien van de toevoer van inhalatieanesthetica en het voorkomen van disconnecties. De focus is verschoven van de centrale OK’s naar ruimten waar ventilatie en luchtstromen niet altijd optimaal zijn, bijvoorbeeld inleidruimten en behandelkamers.
In verkoeverkamers is de blootstelling aan inhalatieanesthetica voldoende beheerst, ondanks dat het ventilatievoud in de praktijk lager is dan aangegeven in de voormalig geldende arbobeleidsregel inhalatieanesthetica.
Dankwoord gaat o.a. uit naar de collega arbeidshygiënisten: J.R.C. Boumans – d’Onofrio, C.C.P. Klaver, G.C.
Teunissen (Arbo- en Milieudienst UMC St Radboud/Radboud Universiteit).
