Welters’ weemoedige wereld: Puur

Puur, dat zijn de mensen in Laos volgens het buurmeisje van mijn neefje met blonde leeuwenmanen dat afgelopen zaterdag een streetdance-voorstelling had. Ze was net terug van twee maanden Zuid-Oost Azië. En aangezien mijn lief en ik de vanaf volgende week maandag een maand door Laos en Thailand gaan fietsen, wilden we dus wel even weten wat haar ervaringen waren aldaar. Puur dus, volgens het vrolijke Hollandse buurmeisje dat even twee maanden eruit moest na haar afstuderen. Nog echt levend van dag tot dag. Hun kostje bij elkaar scharrelen en eeuwig lachend ‘saba di’, goedendag roepend naar de al even vrolijke toeristen met te bleke huid en te groot lichaam. De piepkleine Laotiaanse kindertjes met snottebellen kun je reuzenblij maken met een simpel ballonnetje.

We waren er via de ‘eenzame planeet’ al achter gekomen dat de Laotianen vriendelijk, boeddhistisch en straatarm waren, met een inkomen van omgerekend 50 eurocent per inwoner per dag. En dat er eigenlijk maar één grote geasfalteerde en begaanbare weg door het land slingert dat zes keer zo groot is als Nederland en zes miljoen inwoners telt. Dat het land door de Fransen gekoloniseerd is, met als gevolg dat je er nu nog in de wat grotere plaatsen koffie en croissants kunt krijgen, maar men zich in het gemiddelde dorpje met – ongetwijfeld pure – lemen hutten met strooien daken gewoon alles consumeert wat voorhanden is: veel rijst, soms wat groente, soms een gevangen vogeltje of op hoogtijdagen een nauwkeurig gegrilde rat.

Puurheid, onbevlektheid, ongereptheid, ook wij zullen er naar op zoek gaan de komende maand. Maar als langeafstandsfietser ben je toch wat minder gefixeerd op de geweldig pure highlights in de vorm van grotten, via motorritjes (sic!) te bedwingen exotische natuurpracht en de authentieke cultuurbelevingen van ongerepte boeddhistische bergvolken. Als er maar eens in de 100 kilometer veel eten en een bed is, denken wij dan. En als de weg maar begaanbaar is en niet vol met dronken of gedrogeerde vrachtwagenchauffeurs.

Puur, dat zijn ook sommige van de essays die ik vanochtend ontving als sluitstuk van mijn cursus sportfilosofie voor natuurwetenschappers. De scribenten willen geregeld terug naar de pre-commerciële fase van de sport. Toen amateurisme nog de norm was en toen de Tourrenners nog geen in de windtunnel ontworpen tweewielige bolides van carbon met een Calimerohelm op bestegen, maar in eindeloze etappes met twee over de borst gekruiste tubes op derailleurloze bakbeesten onverharde geitenpaden beklommen.

Puur is ook de extreem consequentialistische Australisch-Amerikaanse rechtvaardigheidsfilosoof Peter Singer, met wie ik gistermiddag met een zeer select groepje studenten mee in debat ging. “Staat er een flesje mineraalwater of een blikje frisdank naast u op tafel terwijl u dit leest? Als u voor uw drankjes betaalt terwijl er veilig drinkwater uit de kraan komt, hebt u geld over voor dingen die u niet echt nodig hebt. 1 miljard mensen ter wereld moeten elke dag zien rond te komen van minder dan u betaald hebt voor dat blikje frisdrank of flesje water.”

Joep Bos-Coenraad: Laatste

Mijn periode als columnist had ik eigenlijk willen afsluiten met allemaal goede tips voor studenten. Zoals dat gebakken aardappelen het lekkerste smaken met de olijfolie mayonaise van Calvé en met curry van Oliehoorn. Of dat je bij de samenstelling van je vakkenpakket primair moet kijken naar hoe inspirerend de docenten zijn en pas secundair naar de inhoud van de cursus.

Maar afgelopen week is er iets gebeurd waar ik wel over moet schrijven. Het is een melancholisch einde van een verdrietige geschiedenis: Lonesome George is overleden.

Lonesome George was een reuzenschildpad van de Galapagos eilanden. Op de verschillende eilanden leefden verschillende soorten reuzenschildpadden, maar nadat de mens de eilandengroep ontdekte werd het bestaan van de meeste soorten bedreigd. De kracht van de soorten, maanden kunnen overleven zonder eten of drinken, maakte ze geliefd als proviand onder zeelieden. Toen Lonesome George op 1 december 1971 werd gevonden, was men eigenlijk in de veronderstelling dat zijn ondersoort reeds was uitgestorven. Ruim veertig jaar zou George noodgedwongen eenzaam rondzwerven. Als laatste van zijn soort. Een lot dat haast alleen reuzenschildpadden kunnen ondergaan, dieren die niet zelden de honderd levensjaren passeren.

Het droevige verhaal van deze eenzame George spreekt tot de verbeelding. De langzame, gerimpelde schildpad, die zijn pezige nek uitsteekt om over de stenen te kijken of zich werkelijk nergens een soortgenoot heeft verscholen. Daar krijgt ook een stoere man tranen van in zijn ogen – zo heb ik mij laten vertellen. Maar George is niet alleen. Overal ter wereld worden ecologische evenwichten verstoord door mensen. Soms door bevolkingsgroei, maar veelal slechts door exploitatie voor financieel gewin. Maar iedere keer als er een George overlijdt, meestal helaas ongemerkt, sneuvelt er een kunstwerk van de natuur. Een kunstwerk waar de indrukwekkende Nachtwacht van Van Rijn slechts een pennenstreep bij is, of dat De Vier Jaargetijden van Vivaldi reduceert tot het ploppen van een beugelfles. Het product van eeuwenlang aanpassen aan veranderende omstandigheden, tot de spelregels ineens zo snel veranderden dat bijbenen onmogelijk werd.

Ik wil daarom afsluiten met mijn eerbetuiging aan George. Zijn lijdensweg was lang en eenzaam, maar zijn lot des te zichtbaarder. Terwijl het levenloze schild van George, met hangende pootjes en dito kopje, wordt weggetild om het als aandenken te balsemen, zet de homo economicus steeds meer van de wereld naar zijn hand. De onschatbare natuurlijke rijkdom aan biodiversiteit legt het af tegen de menselijke heb- en gemakzucht. Laat George symbool staan voor de vernietigende menselijke invloed op kwetsbare natuurlijke evenwichten, in alle kwetsbare schoonheid. De meeste soorten zullen ongemerkt verdwijnen en het leven van de laatste exotische salamander zal te kort zijn om er evenveel ontroerende documentaires over te maken.

Mijn tijd als columnist voor dit platform zit er tevens op.

Welters’ weemoedige wereld: Handen schudden

Afgelopen vrijdag moest een student bij mij op het matje komen omdat hij en zijn kompaan verstek moeten laten gaan voor een eindpresentatie. Hij was net terug van twee weken verblijf in Duitsland in het een of andere hersenscanlab – dé hit in deze tijden waarin menselijk gedrag wordt gereduceerd tot in serie geschakelde, vurende neuronen die zichtbaar kunnen worden gemaakt als rode vlekken op een scherm. Bij wederkomst in kikkerland was hem opeens te binnen geschoten dat hij en evenknie aanstaande vrijdag verhinderd zijn op de dag des oordeels voor studenten van een – om jurisprudentie te voorkomen – niet nader gespecificeerd vak dat ik geef.

Wat nu? Tja, wat nu? Dat betekent voor Smith & Jones extra hard werken aan het in elkaar zetten en theoretisch doortimmeren van de eindpresentatie die ze met twee lotgenoten geacht worden te geven aanstaande vrijdag, legde ik uit. Zodat de twee andere protofilosofen het voorwerk voor het voetlicht kunnen brengen. En parallel daaraan een individueel essay schrijven. Even verdomd flink doorpakken dus voor S & J.

Een elegante oplossing met een moraal (bedenk zoiets voortaan godverdomme eerder!), die hopelijk goed zal uitpakken voor alle partijen. Formeel licht ik hiermee vast de hand met een of meer procedures in voorkomende gevallen. Maar onderwijsethisch lijkt me mijn Salomons-oplossing alleszins verdedigbaar.

Bovendien weet ik uit ervaring dat studenten uit het natuurwetenschappelijk spectrum nogal recht voor de raap zijn. Als ze een keer te laat met half geloken op het vrijdagochtendcollege binnen komen brommen ze gewoon: ‘Sorry meneer, gisteravond teveel gezopen.’ En sturen niet na drie weken absentie een met spelfouten gelardeerd mailtje waarin ze zeggen dat ze er even tussenuit moesten omdat oma een mentaal dipje had vanwege het overlijden van haar stokoude suikerzieke hondje. (Ik verzin dit niet).

Na afloop van ons indringende gesprek gaf de berouwvolle zondaar, op wiens voorhoofd inmiddels wat zweet parelde, een onhandige maar welgemeende hand als een kolenschop. En beloofde plechtig om voortaan wat nauwkeuriger en planmatiger te werk te gaan, ook als het een reflectievak betreft en geen hogere toegepaste technische wiskunde.

Dit is paideia, zoals de oude Grieken het noemden: de opvoeding van jongelingen tot echte persoonlijkheden, tot afgeronde eindvormen waarin de menselijke natuur in al zijn soms ondoorgrondelijke modaliteiten tot bloei kan komen.

Vanmiddag krijg ik overigens zelf de maat genomen. Ik moet verschijnen voor de dezer dagen plaats grijpende visitatiecommissie biomedische wetenschappen. Om daar het communicatie-afstudeerprofiel uit te leggen en te verdedigen. Het protocol is smetteloos strak: ‘Om geen kostbare gesprekstijd te verliezen geeft de commissie er de voorkeur aan om geen handen te schudden bij binnenkomst.’

Joep Bos-Coenraad: Internet killed the video star

De bulkstudies knallen uit de collegezalen. Iets meer dan een jaar geleden besloot het college van bestuur nog dat de toen nog zogenaamde ‘video-colleges’ op de Radboud Universiteit tot het verleden behoorden. Vanaf dat moment zouden alle Radboudianen recht hebben op een live-verbinding zonder tussenkomst van elektronica. Vanaf volgend jaar mogen de kuddedieren bij Sociale Wetenschappen en Rechtsgeleerdheid weer braaf naar het videoscherm kijken. Video-doorkoppeling noemt men dat tegenwoordig.

Studenten die vanuit Zevenaar naar Nijmegen komen om een college op een scherm te kijken. Als je pech hebt met verplichte aanwezigheid ook, want zo rolt de eigentijdse rendementenfetisjist. Gij zult komen, ook als we niks te bieden hebben.

AARDE AAN RADBOUD UNIVERSITEIT!? Het is 2012! Camera’s laten meedraaien gebeurt al jaren bij diverse colleges aan de bètafaculteit. Niet omdat de zalen vol zitten. Dat zitten ze overigens wel, maar gelukkig niet té. De video-opnamen op de bètafaculteit worden na het college op het intranet geplaatst, zodat studenten complexe materie nog eens rustig kunnen bekijken. In enkele gevallen biedt het een uitkomst voor gemiste colleges. De aanwezigheid is er zonder infantiele maatregelen nog steeds immer tegen de 100 procent, de introductie van videocolleges bracht daar nauwelijks verandering in.

Zal dat elders ook zo verlopen? Ik verwacht het eerlijk gezegd niet. Dat er aan faculteiten op aanwezigheid wordt gecontroleerd is over het algemeen geen indicatie dat docenten alle studenten richting uni weten te motiveren. De mogelijkheid om in je pyjama vanuit je stinkende studentenkamer het college online te volgen zal erg populair zijn. Maar waarom niet, als het alternatief een ‘video-doorkoppeling’ is? Het combineert het comfort en de flexibiliteit van de internetgeneratie met de interactiviteit van een videoverbinding met de zaal ernaast. In de collegezaal zelf zal volop ruimte ontstaan voor de liefhebbers.

Welters’ weemoedige wereld: Johannes, de woorden en de dingen

‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.’ Zo begint het Bijbelse evangelie van Johannes.

In de latere middeleeuwen gaan sommige monniken zich afvragen of de woorden echt naar dingen in de werkelijkheid verwijzen, of dat het – zoals het woord al suggereert – slechts woorden zijn, benamingen, nomine. Zoals in nominaal: de naam betreffende, naar de naam. En dus niet zozeer: naar de essentie.

In de laatste zin van Umberto Eco’s magistrale De naam van de roos staat het kernprobleem van onze moeilijke omgang met woorden als volgt genoteerd: Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus. Ofwel: De roos van voorheen bestaat als naam, naakte namen houden wij over.

Maar die voorzichtig naar nog een sprankje betekenis tastende tijd is voorbij. Het gekke van de hedendaagse woorden is dat ze weer volstrekt Johannitisch zijn geworden. Het kamerscherm tussen het ding als ding en het woord als betekenisaanduider dat het concrete ding in al zijn grilligheden in zijn geheel kan vangen, is weggetrokken.

Eerst is er het woord. Vervolgens ontstaat de nieuwe werkelijkheid. Eerst is er de afkorting ADHD. En vervolgens zijn er opeens hele volksstammen van jongelingen die die aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit plotsklaps ergens in hun constitutie hebben zitten. Eerst is er het woord interactief, vervolgens hangt alles met elkaar samen en ontstaat er een vierde thermodynamische hoofdwet: alles en iedereen moet altijd en overal met iedereen in contact kunnen staan. Eerst is er het woord marktwerking, vervolgens is alles marktwerking. Eerst is er het woord crisis, vervolgens is er ook een crisis, ook al vreet iedereen zich nog net zo overvol als voordien.

Met de werkelijkheid is het slecht kersen eten. Als het werkelijk waar is dat zonder het woord het ding niet het ding was geworden dat het geworden is, kunnen we maar beter woorden bedenken die weinig schade aanrichten.

Misschien moeten we daarom terug naar het realistisch symbolisme van Frederik van Eedens De kleine Johannes. In slaap vallen, verkleind worden door een libel die een elfje blijkt te zijn en meegenomen worden naar een andere dimensie, die we geneigd zijn fantasiewereld te noemen, maar die dat welbeschouwd niet is. De kleine Johannes kiest uiteindelijk niet voor het grote licht, maar voor de mensheid en haar weedom. Mooi weemoedig woord ‘weedom’: smart, leed, droefheid. Als we daar weer mee kunnen leven, wordt de werkelijkheid vast weer een stukje draaglijker.

Joep Bos-Coenraad: Het EK en de over het paard getilde poes

Het EK voetbal. In alle eerlijkheid hoeft al die topsport van mij niet zo. Ik vind sport kijken in beginsel gewoon te saai. 90 minuten – exclusief schwalbetijd – naar een paar mennekes kijken die achter een bal aan hollen. Ideaal voor de kleine Joep die daardoor twintig jaar geleden langer op mocht blijven, maar anno 2012 heb ik eigenlijk wel wat beters te doen.

In de Toto van onze onderzoeksafdeling overleefde mijn Nederland de groepsfase ook al niet voordat Denemarken succesvoller bleek dan onze over het paard getilde poes in z’n hempie. Dat neemt niet weg dat ik de lol best inzie van de zogenaamde ‘Oranjegekte’. Mensen die hun huizen en straten met de meest lelijke decoraties oranje doen kleuren. Fans die elkaar in de kroeg opzoeken om bedwelmd de zogenaamde voetbalhelden toe te juichen en elkaar bij tegenslag op een schedelbasisfractuur te voorzien. En niet te vergeten natuurlijk de smakeloze grapjes over Duitsers. Daarvan ga ik zelfs bijna overstag.

De gezelligheid, het slappe geouwehoer over dit volkse cultuurevenement door mensen die er “verstand van hebben”, en de saamhorigheid. Allemaal leuk hoor. Een breed gedragen excuus voor een feestje is sowieso zelden mis. Maar de door sommigen bijna veronderstelde nationale rouw als Nederland weer eens uitgeschakeld wordt, daar bedank ik voor. Get over it.

Net als de slechte grapjes over Duitsers vind ik het Oranjegevoel best mooi, maar mensen moeten het niet gaan menen.

Welters’ weemoedige wereld: Andermaal de Duitsers

Ik heb op deze plek al eerder de loftrompet gestoken over Duitsers. Ze hebben grote filosofen en prima studenten die in groten getale de Westgrens oversteken, in rap tempo Nederlands leren en echt iets toevoegen aan de academische diepgang die we hier in Nijmegen nastreven. Ze verliezen grote oorlogen en winnen grote voetbalkampioenschappen.

Afgelopen week had ik een dagje een stevige representant van die cultuur, die tot in lengte van dagen verheven zal blijven boven ons pragmatisch polderprutsen, op bezoek: de Duitse collega-sportfilosoof dr. Arno Müller. Een goedlachse en goedgevulde eik van een kerel die in Leipzig met de ietwat kleinerende titel Junior-Professor door het leven moet gaan. Anders dan hier moet je in Duitsland namelijk wel een aantal stevige lakmoesproeven ondergaan wil je die eretitel binnenslepen.

Arno is de onnodige bescheidenheid in het kwadraat. Na afloop van onze eerste kennismaking op een congres in Praag herintroduceerde hij zichzelf per e-mail als ‘Hi, remember me? I’m that big fat guy from Germany who always smokes cigarettes during philosophy of sport meetings’. Nadat ik hem donderdagavond laat ophaalde van de trein en met hem nog wat ben gaan eten en inderdaad ook wat gaan drinken verzorgde hij de volgende ochtend een okselfris gastcollege dat de studenten nog lang zal heugen.

Moeiteloos en speels vervlocht hij metersdiepe inzichten over het belang van Martin Heideggers diep-Teutoonse gedachten over de immer op de loer liggende dood(de authentieke mens leeft zijn leven in het besef van een Sein-zum-Tode) in relatie tot high risk sports (ongezekerd bergbeklimmen, downhill mountainbiken etc.) met vederlichte ironie en soms zelfs bitterzure spot.

Dat hoogdravend gezeur over rechtvaardigheid en gelijke kansen in sport bijvoorbeeld. Topsport is allesbehalve eerlijk. Wie het tot topbasketballer wil schoppen moet onevenredig bedeeld zijn met lengte. En trouwens, alle voetbal is welbeschouwd gebaseerd op bedrog. Als Lionel Messi een goudeerlijke jongen zou zijn zou hij gewoon voor de kortste weg naar het doel moeten kiezen. En niet voor supersnelle seriële schijnbewegingen die hele reeksen van amechtige verdedigers op het verkeerde been zetten.

Nederland – Duitsland, dat is de confrontatie van de boosaardige kabouter Wesley, de geniepige zuiger Mark van Bommel en de motorisch uitgedaagde Joris Mathijsen met de aristocratische spits Mario Gomez, de maatschappijkritische verdediger, wereldverbeteraar en aanvoerder Philipp Lahm en de fijnbesnaarde baltovenaar Mesut Özil.

Nederland-Duitsland, dat is misplaatst superioriteitsgevoel en boosaardige verongelijktheid tegenover doorleefde klasse uit een land van grote dichters en denkers. Dat de diepgang moge winnen. Zowel ter universiteite als op de groene mat.

Welters’ weemoedige wereld: Erbens natuurijs

Erben Wennemars nam gisteravond tijdens een LUX-debat Voorbestemd voor goud. De betekenis van genetisch onderzoek voor sport de gelegenheid te baat om reclame te maken voor het ‘goede’ product dat hij onlangs via AH in markt heeft gezet: Erbens Natuurijs (hahaha, zei hij er zelf meteen maar achteraan), gemaakt van – jawel – biologische yoghurt.

Op zijn site: ‘Erben is ex- schaatser en stond al van jongs af aan elke winter op het ijs achter de familieboerderij in Dalfsen. En als het niet vroor dan hielp hij zijn vader met het melken van de koeien. Erben is dus gek op ijs. IJs om op te schaatsen en lekker ijs om op te eten. Maar dan wel zonder gedoe en poespas. Natuurlijk dus. Daarom is Erbens Natuurijs lekker én biologisch.’

Over genetisch onderzoek ging het gister trouwens niet echt, uiteindelijk. Want genetisch onderzoek naar de vroegtijdige detectie van talent staat nog in de kinderschoenen. Bovendien, zo insisteerde natuur-Erben terecht, talent is vooral een kwestie van én erfelijke aanleg én gunstige omstandigheden (in zijn geval een rijke boer als vader die wel in zoonlief wilde investeren) én liefde voor de uitputtingsslag die sport heet. 

En de wil om uit te blinken, ergens de eerste in te willen zijn, natuurlijk. Zijn 11 jaar jongere broertje, die fysiologisch nagenoeg identiek is, lukt de grote doorbraak op het ijs maar niet. Wellicht doordat hij a priori moedeloos wordt van de eeuwige vergelijking met de oudere broer die zeven keer sprintwereldkampioen werd.

Trouwens, Erben is helemaal geen geboren sprinter. Op zijn 17de werd hij Overijssels marathonkampioen op natuurijs, door Erik Hulzebos te verslaan. Later, als lid van de kernploeg is hij tot sprinter omgesmeed. Dus wat nou genetische predispositie voor de felle explosie?

Mooi ook vond ik Erbens pleidooi voor breedtesport. Als elftalleider van de Dalfsense voetbalclub krimpt zijn hart ineen van amechtige hyperobese Overijsselse kereltjes met motorische beperkingen (die misschien wel te veel Erbens natuurijs consumeren). Lichamelijke opvoeding, daar moeten we weer aan in Nederland.

Toch werden we geen vrienden. Dit omdat ik als publiekslid mijn keuze vóór de stelling dat doping onder medische begeleiding best moet kunnen, toelichtte met de opmerking dat ik zelfs voor een totale vrijgave van doping ben, mits gekoppeld aan prima voorlichting over de consequenties van het middelengebruik. Het argument dat de medische wetenschap te allen tijde Hippocratisch moet hoeden over ‘de gezondheid’ van het sportende subject vind ik namelijk paternalistisch.

Bovendien: is topsport niet welbeschouwd juist de ultieme viering van oneerlijkheid in de vorm van overdreven toebedeling van talent? Dat je vervolgens inderdaad nog wilskrachtig moet verzilveren. Maar toch. En maakt vrij dopinggebruik sport daarom juist niet eerlijker? Wie zijn wij om iemand te verbieden om één keer zwaar gedrogeerd een marathon binnen twee uur af te leggen en vervolgens met een gelukzalige glimlach voor eeuwig ineen te zijgen? Dat was natuurijsmens en vertegenwoordiger van de superschone schaatssport Erben Wennemars toch duidelijk een gedachtesprong te ver.

Joep Bos-Coenraad: Oplossing voor het bèta-tekort

Vertelde ik u vorige week nog dat er van alles mis is in de hersenpan van de bèta, blijkt er nu een schrijnend tekort aan die knakkers! Het bedrijfsleven smeekt om meer goede bèta’s! Daar komt nog eens bij dat ik persoonlijk in de veronderstelling ben dat bèta’s, naast ongeëvenaarde columnisten, ook nog eens bovengemiddeld goed zijn in het creëren van bedrijvigheid. Bèta’s zijn niet zelden ondernemende duizendpoten. Ondernemers die in staat zijn ‘iets van waarde te maken‘, in plaats van slechts ordinair wat welvaart te herverdelen. Daar kun je er nauwelijks genoeg van hebben in een land waar de economie wel wat groei kan gebruiken.

De PvdA ziet dat gelukkig ook in en wil daarom het aantal scholieren dat kiest voor een bètastudie verhogen. Prima doelstelling. Mag op korte termijn wat kosten, het is niet onwaarschijnlijk dat het op de lange termijn een veelvoud oplevert.

Waar het kabinet dat steunde op VVD/CDA/PVV het volgen van een academische bètaopleiding financieel nog ontmoedigde door de studiefinanciering voor de masters te willen schrappen (bètamasters duren in de regel twee jaar in plaats van één), wil de PvdA de studiekeuze met soortgelijke middelen ‘bevorderen’: bètastudenten zouden geen collegegeld meer hoeven te betalen.

Een sympathiek plan, maar ik betwijfel of het veel zoden aan de dijk zet. Zou iemand zijn studiekeuze, misschien wel de meest belangrijke keuze voor de toekomst, laten bepalen door ‘gratis collegegeld’? Ondanks dat studeren steeds duurder wordt en de hoge kosten een steeds grotere belemmering vormen, heb ik niet het idee dat dit het beste middel is.

Nee, volgens mij moet het imago van de bètastudie worden verbeterd. Ook voor mijn generatie bèta’s overigens, die het soms wel eens moe wordt aan alle alfa’s te moeten vertellen dat je met scheikunde meer kunt dan ‘leraar worden’. Maar in datzelfde onderwijs gaat het wel verkeerd. Met medewerking van deze zelfde PvdA is ooit de Tweede Fase ingevoerd in het middelbaar onderwijs. Contactonderwijs moest wijken voor studiewijzers, terwijl bètaonderwijs bij uitstek floreert bij intensief contactonderwijs. Daarbij maakten enkele degelijke vakken plaats voor van alles niks, waarbij de bètacomponenten binnen de alfaprofielen werden uitgekleed, maar overbodige vreemde talen de bèta’s tot ver in hun programma zouden tergen.

De Tweede Fase bleek niet alleen een goede bezuiniging op de korte termijn, ook op de lange termijn zouden onderwijskosten sterk afnemen: menig mannelijke scholier werd professioneel afgeremd en zou de universiteit niet meer bereiken. Meer vrouwen doen vandaag de dag een bètastudie dan voorheen. Dat vind ik oprecht tof. Maar als blijkt dat het komt omdat er vooral minder mannen zijn die beginnen…

Het zou goed zijn voor de Neerlandsche kenniseconomie als er vaker voor een bètastudie zou worden gekozen, maar er moeten wel scholieren met de juiste capaciteiten zijn die deze ook willen benutten. Met die opdracht kom ik terug bij onze politici: investeer in meer kleinschalig uitdagend bètacontactonderwijs voor scholieren met bètapotentie en overtuig de onwetende Nederlander van de veelzijdigheid van de exacte wetenschappen. Bijvoorbeeld door na 12 september net zo’n kick-ass staatshoofd te installeren als onze oosterburen met hun succesvolle natuurkundige Angela Merkel.

Welters’ weemoedige wereld: Valorisatiecultuur

‘A good many times I have been present at gatherings of people who, by the standards of the traditional culture, are thought highly educated and who have with considerable gusto been expressing their incredulity at the illiteracy of scientists. Once or twice I have been provoked and have asked the company how many of them could describe the Second Law of Thermodynamics. The response was cold: it was also negative. Yet I was asking something which is about the scientific equivalent of: ‘Have you read a work of Shakespeare’s?’

Aldus de Engelsman Charles Percy Snow in zijn beroemde Rede Lecture van 1959, uitgesproken te Cambridge. Waar het deze fysicus annex romanschrijver om te doen was, was het bittere feit dat toentertijd wetenschap vooral nog een kwestie was van mooi, eloquent en met stijve bovenlip spreken over humanioraonderwerpen. En niet zozeer: methodische experimenteren, herhalen en minutieus, compact en zonder fratsen opschrijven van de resultaten van meetbaar onderzoek. Kortom, liever welluidend op zijn Shakespeares dan wiskundig correct over de tweede hoofdwet van de thermodynamica. (Voor wie er even niet op kan komen: De entropie van een geïsoleerd systeem dat niet in evenwicht is, neemt in de loop van de tijd toe, tot het maximum voor dat geïsoleerde systeem is bereikt. Die toestand met de maximale entropie is de evenwichtstoestand.)

Afgelopen jaar hebben mijn collega Luca Consoli (fysicus én filosoof – de 21e eeuwse C.P. Snow dus!) en ik ons in opdracht van de Jonge Akademie van de KNAW beziggehouden met de vraag wat die tegenwoordig in wetenschapsland zo razend populaire term valorisatie nu precies inhoudt. En als we daar de vinger achter hebben kunnen krijgen: hoe kunnen we dat begrip zo inrichten dat dit vooralsnog vooral economisch, utilitaristisch geconnoteerde begrip ook nog wat ruimte biedt voor de in het huidige tijdsgewricht wat zwakkere wetenschappelijke broeders als de kleine letteren, de niet keihard op de hersenpan gerichte psychologische onderafdelinkjes en de niet empirische takken der aloude wijsbegeerte.

Tientallen wetenschappers, politici, industriekapiteinen en beleidspiefen zijn door onze 23 nijvere studenten door middel van semigestructureerde vraaggesprekken aan de tand gevoeld over die zo vaak gebruikte maar moeilijk operationaliseerbare term valorisatie. We zullen het ‘traject’, om een term uit valorisatieland ertegenaan te gooien, eind juni afsluiten met een messcherp essay, een kloek rapport en een ongetwijfeld flitsende slotpresentatie.

Vandaag is er nog een mooie tussenstap in het Heyendaelse kasteeltje. Daar zullen beleidsmakers, wetenschappers en studenten debatteren over valorisatie. Ik zal een korte inleiding houden, die ik zal uitleiden met Luceberts overbekende maar daarom niet minder waardevolle strofe uit het gedicht De zeer oude zingt uit 1974. Want dat wat Snow zich zo vurig wenste – meer aandacht voor harde wetenschap en minder voor de subtiele maar boterzachte praatkunst – is maar al te waar geworden. Daarom zing ik met Lucebert:

Alles van waarde is weerloos.