Jacqueline’s laatste jaar: Aan het werk

Dit stukje is een week te laat. Ik vroeg aan hoofdredacteur Anne Dohmen of het goed was als ik hem deze keer iets later inleverde. ‘Woensdag ofzo, als ik weer wat gewend ben.’ Inmiddels ben ik een week verder en ik ben net zo gewend als een Afrikaan in de Febo. Want waar kan ik aan wennen? Ik heb vier jaar gestudeerd, liep stage en ging een half jaar naar Ierland. En nu ben ik terug, als afgestudeerde. En daarmee is dit dus ook mijn laatste column. Vier jaar studeren in één stukje samenvatten. Ga er maar eens aan.

Vertel ik dan over hoe ik vier jaar geleden door Marjolein Pijnappels van de introductiemarkt geplukt werd waarna ik een ‘column’ kreeg? Hoe ik op kamers ging in Nijmegen, in een gekke anti-kraak bungalow met een dictator als huisbaas? Die me ooit nog dreigde mij mijn huis af te pakken als de redactie mijn column niet wilde verwijderen. Ik zou nog eens vertellen hoe Berend bijna twee jaar lang bij me woonde. Waarna Rob Goossens mopperde, dat dat ‘lezertechnisch’ heel saai zou zijn.

En of ik niet gewoon in een ranzig studentenhuis kon gaan wonen? Ik schreef over mijn opleiding en hoe slecht alles geregeld was en ik schreef toen mijn relatie met Berend over ging. Andere stukjes gingen over mijn stages in ‘de echte wereld’, Amsterdam, waar ik inmiddels alweer een tijdje woon.

En dan hadden we jullie nog, al die mensen die vier jaar lang mijn verhalen, onzekerheden en gejuich aan moesten horen. Jullie, die me vertelden dat ik slechte orgasmen had (nadat ik aangaf dat perenijsjes net zo lekker waren), een arrogante trut was of dat ik ongelofelijk gelijk had als ik Bedrijfscommunicatie er weer eens van langs gaf. En natuurlijk de immer enthousiaste Nico, die nog steeds niet heeft verteld hoe hij nou echt heet.

Hopelijk blijven jullie me wel lezen. Niet achter een portal met een wachtwoord (helaas veranderde Voxlog ook mee de afgelopen vier jaar), maar bij mijn nieuwe werk. Volgende week begin ik namelijk met mijn droombaan als schrijver bij een digitaal productiebureau. Nooit meer studeren, nooit meer tegen jullie zeuren. Alleen nog mijn bachelordiploma ophalen, en dan is het officieel voorbij.

Jacqueline’s laatste jaar: Tranen met tuiten

Het is zover: de laatste week is aangebroken. Zoals jullie de afgelopen vier jaar wel gemerkt hebben, blink ik niet bepaald uit in emotionele stabiliteit, maar deze week slaat alles. Niet alleen ik, maar iedereen, is inmiddels in de dit-is-de-laatste-keer-dat-fase beland. Zo heb ik gisteren voor het laatst aardappelpuree gegeten met mijn huisgenootje. Tranen welden op in onze ogen. Het laatste huisfeest? Tranen. Wodka-tranen, dat wel, maar huilen is huilen.

De laatste keer drie dagen zonder wc-papier zitten omdat iedereen te lui is om boodschappen te doen? Geen tranen, want dat gebeurt me waarschijnlijk nog vaker in mijn leven, maar toch. Treurig? Absoluut. Maar ga maar eens een half jaar in het buitenland wonen. De kans is groot dat je hetzelfde hebt. En hoe vaak ik ook heb lopen vloeken op de roodharigen die ongewild aan je bil zitten of je zonder schaamte een half uur laten wachten, ik ga toch een hoop missen hier.

Nooit meer studeren bijvoorbeeld. Nu kan ik me niet voorstellen dat ik er ooit weer naar terugverlang, maar je ziet zo vaak verbitterde 40′ers op televisie die zuchtend terugdenken aan hun studietijd, dat de kans groot is dat ik daar over twintig jaar ook bij hoor. En dan nog alle lieve mensen die ik hier ontmoet heb. De cynische Finnen, de trotse (en verschrikkelijk jaloerse) Italianen, de losbandige Duitse meisjes en zelfs de Fransen. Mijn lieve huisgenootje, en dan na teveel rode wijn in elkaars oor tetteren hoe erg we het gaan missen om samen op de bank te liggen.

Sommige van mijn nieuwe vrienden gaan hun grote liefde missen, die ze hier ontmoet hebben. Ryan Air kan zich komende zomer in zijn handjes klappen. Maar als alles goed gaat staat mijn grote liefde over zes dagen op Eindhoven te wachten. En ondanks dreigementen over huilende moeders en spandoeken, maakt dat het terugkomen toch een stuk gemakkelijker.

Jacqueline’s laatste jaar: ‘Run blondie, run!’

Als ik hijgend aan kom rennen, is het tentamen al bijna begonnen. Hét tentamen, het moeilijkste van allemaal. Als ik dit haal kan ik alles, denk ik nog. Maar goed dat ik het gevonden heb. Voor de tentamens begonnen kregen we een vage zwart-wit kaart van de stad met daarop de locaties waar je moest zijn. Kerken, ziekenhuizen, je kon overal terecht komen. Als ik neerplof op het houten klapstoeltje duwt een oude man me een stapel papier in mijn hand: Business Law. Ik schrijf mijn naam op, sla mijn papier open en… huh? Business Law? Dat vak volg ik helemaal niet.

Mijn hand schiet omhoog. De oude man kijkt me met opgetrokken wenkbrauwen aan, hoezo volgde ik dat vak niet en wat deed ik daar dan? Ik vroeg het me ook af. Paniek bekroop me. Ik had alles nog zo goed gecheckt, locatie, tijd, zelfs de dag klopte. Althans, dat dacht ik. Ik ren het lokaal uit. Buiten staat oud mannetje #2. ‘You have to go upstairs! Run!’. Zwetend kom ik boven aan. Een oud vrouwtje (wat is dat met oude mensen en tentamens?) onthaalt me enthousiast, pakt mijn arm en duwt me naar een tafeltje. ‘Good luck with Business Law!’. Ik wist niet dat het mogelijk was, maar ik raak in nog grotere paniek en schreeuw fluisterend in haar oor dat ik dit vak NIET VOLG. Ze snapt er niks van. ‘I understand, it’s alright, just sit down and take the exam.’ Ik heb het idee dat ze het helemaal niet begrijpt.

Een minuut later sta ik buiten waar oud mannetje #3 me probeert te helpen. Na tien minuten paniekerig graaien in mijn tas vind ik een vel papier dat ik van de zenuwen verfrommeld heb. ‘Look, it says Kevins Hall!’. # 3 begint hardop te lachen. Ik ben op de verkeerde locatie. Terwijl ik het gebouw uitren hoor ik #3 route aanwijzingen schreeuwen. ‘Run blondie, run‘. Als ik niet zo in paniek was geweest had ik moeten lachen, in plaats daarvan besluit ik te gaan huilen, wat het rennen niet echt bevordert.

Tweehonderd meter verderop vind ik dan eindelijk ‘mijn’ hal. Een klein rond mannetje met een rood gezicht onthaalt me lachend. ‘Don’t panic girl, you are right on time!‘. Een half uur te laat plof ik neer op alweer een houten klapstoeltje, ditmaal in een kerk. Rood aangelopen, nat van het zweet en van de tranen begin ik aan mijn tentamen. Het goede tentamen dit keer.

Jacqueline’s laatste jaar: Lekker, macht!

Er zijn een boel redenen te bedenken waarom het niet leuk is om in een stad met kamernood te wonen. Zo is je kamer er ongeveer net zo groot als het bureau dat je had toen je nog bij je ouders woonde en word je elke dag gespamd door wanhopige studenten die op zoek zijn naar een kamer.

Maar inmiddels ben ik erachter dat je beter in een stad kunt wonen die wél kampt met kamernood. Het feit dat anderen alles zouden doen om in jouw kamer te wonen, ook als die vrijwel onbewoonbaar is door de zweetlucht die er hangt of als die helemaal is ondergepoept door je hamster, geeft een machtsgevoel dat nergens mee te vergelijken is.

Onder invloed van dit heerlijke gevoel zaten mijn huisgenoten en ik gisteren te wachten op de veertig gegadigden die in juni wellicht onze kamer zouden overnemen. Op tafel lag een lijst vragen die de nieuwe bewoners angst in moesten boezemen: wat is je leukste karaktereigenschap? wat voor boerderijdier was jij in je vorige leven? We zouden good cop, bad cop spelen, zoals we gezien hadden op televisie. We waren er helemaal klaar voor. En dus wachtten we tot het zes uur was en de eerste zenuwachtige bezoekers aan zouden bellen.

En we wachtten. En wachtten. In totaal hebben we drie uur gewacht. Eén meisje kwam opdagen. Het gevoel dat je krijgt wanneer er veertig mensen bijna in hun broek plassen bij de gedachte in jouw kamer te mogen wonen wordt niet geëvenaard door een orgasme, laat staan door het eten van een perenijsje. Maar dan moeten ze wel komen.

Jacqueline’s laatste jaar: Apeshit

Om er nog iets van te maken deze laatste maand, ben ik overgestapt op drastische maatregelen. Mensen vriendelijk vragen of ze koffie met je willen drinken is er niet meer bij, het is tijd voor regelrechte dreigementen. Niemand heeft namelijk tijd om iets leuks te doen.

En dus ben ik dwingende berichten gaan sturen (13.00 uur! Koffie!), waarna ik meestal in mijn eentje een uur zit te wachten omdat degene in kwestie niet op komt dagen (too busy!!!). Als ik anderen wel zover kreeg om mee te gaan, vond ik mezelf plotseling verloren bij de koffieautomaat omdat de ander stiekem wegsloop terwijl ik met mijn suiker stond te knoeien.

Er is massahysterie uitgebroken op de universiteit. Het is namelijk tentamentijd. En dat is de reden voor een hele hoop ontoerekeningsvatbare studenten. Maar niet alleen mijn sociale leven is uitgestorven, ook de universiteit ziet eruit als een warzone. Overal liggen boeken op de grond, zitten mensen te huilen in hoekjes, iemand kreeg zelfs een paniekaanval in de bibliotheek. Of zoals de Ieren het beter uit wisten te drukken: she went apeshit. De collegezalen zijn uitgestorven omdat alle studenten tot vier uur ‘s nachts aan hun essays werken. Als ze er wel zijn, kijken ze levenloos voor zich uit, met als enige decoratie de felblauwe wallen onder hun ogen.

Een jongen mailde me met als onderwerp: ‘final final final version project, really’. In het bericht stond ‘this project is a total MINDFUCK’. Een oorlog winnen vereist voorbereiding, maar volgens mij hebben de Ieren dat nog niet helemaal begrepen.

Jacqueline’s laatste jaar: Mietje!

“Haha, ben jij teruggevlogen naar Nederland? Waarom??” Ik lachte mijn vriendin een beetje uit. Ze studeerde tenslotte maar vijf maanden in Valencia, dus waarom zou je tussendoor terug willen? Voor mijn vriendje, zei ze. Waardoor ik in mijn hoofd nog wat harder lachte, maar natuurlijk niet hardop want dat doe je niet, je vriendin uitlachen.

En ik weet nog dat ik dacht: goh, wat is ze totaal niet die onafhankelijke vrouw die ik dacht dat ze was. Ha-ha. Nu lach ik mezelf uit. Want wat ben ik totaal niet die onafhankelijke vrouw die ik dacht dat ik was. Een jaar naar Australië? Geen probleem. Een half jaar stage lopen in New York? Echt iets voor mij. Dacht ik dus, hè. Nu blijkt, dat als je beste vriendin na twee jaar gedumpt wordt, je vriendje je verschrikkelijk mist en je moeder een beetje bezorgd is hoe het met je gaat daar, dat je af en toe behoorlijk graag even naar huis wilt. En dan zit ik nog niet eens ver weg. Sterker nog, van Ierland naar Eindhoven is nog sneller dan vanuit Nijmegen. Maar van dat kleine stukje zee ertussen word je soms echt een mietje.

Dus besloot ik ook om naar Nederland te vliegen, voor de paasvakantie. De zon scheen, mijn vriend kwam me ophalen met de auto en toen ik thuis kwam stonden al mijn vrienden in de tuin te wachten. Naast de barbecue, met grote bakken kaas en drop (die ik ongeveer even erg gemist had). Verrassing! Volgens mij stonden ze me allemaal uit te lachen, in hun hoofd.

Jacqueline’s laatste jaar: Dyslectische kleuter

Mij is het gelukkig bespaard gebleven, sms-taal. Niet in de eerste plaats omdat je op een dyslectische kleuter lijkt wanneer je het gebruikt, maar ook omdat de regels voor de cijfer-woord combinaties zó lastig zijn dat zelfs Da Vinci er problemen mee zouden hebben. Eén zin weet ik vrijwel zeker: I l0v3 you 4-evAh. Dat zoiets als ‘eeuwige liefde’ moet verbeelden. Maar klopt het?

En wat zijn de regels voor sms-taal? Moet het streepje altijd na de letter en voor de rest van het woord? Welke letter is precies welk getal? Is er een regel die bepaalt welke letters hoofdletters zouden moeten zijn? Iemand de liefde verklaren was nog nooit zo lastig. Als iemand bovenstaande zin naar me zou typen zou ik met hem trouwen. Het kostte die andere persoon ongetwijfeld heel veel moeite om dit op papier te zetten, daar moet iets tegenover staan.

Hier in Ierland zijn ze er echter heel goed in. Iets te goed, als je het mij vraagt. Ik mailde haar maar liefst 18 keer, mijn groepsgenootje. De markt analyse moest namelijk écht morgen ingeleverd worden, maar de rest van de groep had nog steeds niks van haar gehoord. Nagelbijtend zat ik voor de computer. Tot de e-mail kwam. De e-mail waar we allemaal vol spanning op hadden zitten wachten, want dat ze geen zin had in het project was duidelijk. Wat zou ze ervan gemaakt hebben?

Het was erger dan ik had kunnen bedenken. De SWOT-analyse (deze zal de communicatiestudenten a) heel bekend voorkomen b) vreselijk de keel uit hangen) was in het mailtje gekopieerd. Een voordeel: zo kon ze tenminste niet de bijlage vergeten. De inleidende tekst ging zo: “if use got any questions, lemme no an I will answer them………” ‘Use’, dat betekent toch ‘gebruiken’? en wat doet die ontkenning daar midden in de zin? En al die puntjes, wilde ze daar een bepaalde mate van dramatiek mee toevoegen? De spanning nog iets meer opbouwen?

Ik had het idee dat ik aan het overanalyseren was. ‘Je begrijpt wat ze bedoelt, dus zet jezelf erover heen en lees de analyse’, sprak ik mezelf ernstig toe. Ik luisterde naar mezelf. Want dat is een van de voordelen van tegen jezelf praten, je bent vrij gemakkelijk te overtuigen. Ik had ongelijk. Wat dan weer een van de nadelen is van tegen jezelf praten. Het hele verslag bleek op dezelfde manier geschreven. Niet alleen was het inhoudelijk slecht (The purpose of Jameson Irish Whiskey is to get the customer so drunk that he will gain enough self confidence to hit on the girl of his dreams), ook de woorden zelf waren onbegrijpelijk.

Ik kreeg nog een e-mail: de eindredacteur van Vox. “Hey Jacqueline, ik las je stukje net door en merkte op dat je een beetje aan het verengelsen bent. Klopt dat?” Ik hoop van niet. Ik hoop echt van niet. Maar als wel: use please let me no and i will try to fix itz…

 

Jacqueline’s laatste jaar: Oudere broer

Ik heb nog nooit een oudere broer gehad. Ook geen jongere trouwens. Eigenlijk heb ik nog nooit broers of zussen gehad. Nu wel. Een tijdje geleden heb ik er eentje geadopteerd.

Niet officieel, maar wel heel erg afgesproken. Want omdat je met je vrienden nog wel eens per ongeluk in bed kunt belanden, en wij dat koste wat kost wilden voorkomen, spraken we af dat we broer en zus zijn. Met als groot voordeel dat hij nooit gezien heeft hoe je vroeger met een pleister op je oog per ongeluk American History X naspeelde op de stoep en drie voortanden miste.

En het voordeel van een grote broer is dat je naar hem toe kunt voor advies over hoe dat nou eigenlijk werkt, het leven. Want ik heb geen idee. En dus mailde ik hem afgelopen week, nadat ik een sollicitatiebrief had geschreven. Een brief die ervoor zou kunnen zorgen dat ik aan de slag zou gaan bij een echt bedrijf, met een echt salaris en echte collega’s. Heel erg echt allemaal. Want een echte baan betekent nooit meer een college missen omdat je de avond ervoor teveel goedkope rode wijn hebt gedronken. Nooit meer om half twaalf ‘s middags klaar zijn en op het terras gaan zitten. Nooit meer ‘dat doe ik morgen wel’. Een echte baan betekent dat je leven echt begonnen is. Heel erg echt dus. En heel erg eng.

Hij mailde terug. ‘Toen ik 21 was? Toen, ehhh, had ik zo ontzettend geen clou dat ik nu niet eens meer weet wat ik toen wilde. Ja, feesten, reizen en surfen.’ Hij vertelde dat hij wilde plannen had, werken in het buitenland, trouwen met een Portugese of surfleraar worden in Australië. Hij heeft het nooit uitgevoerd. ‘Wat je moet doen? Dat maakt niks uit. Want je kunt de komende acht jaar álles uitproberen en keihard op je bek gaan. Maak je dus geen zorgen over of je wel of geen concrete ambitie hebt. Wees je er alleen van bewust dat je juist nu de vrijheid hebt om dat niet te hebben. Of het werkt of niet is volstrekt irrelevant. Dat is het pas als je 34 bent.’

De sollicitatiebrief heb ik verscheurd. De komende tien jaar ga ik lekker op mijn bek.

Jacqueline’s laatste jaar: Facebookdepressie

‘Net door Doutzen Kroes de club binnengelaten, love Miami.’ ‘Net van Indonesië naar Bali gevlogen, het is hier prachtig!’ De ene vriend vliegt als regisseur naar Amerika, de andere is net op stage gegaan naar Zuid-Afrika. Hoe ik dat weet? Omdat ik de foto’s voorbij zie komen op Facebook. En Facebook excelleert in het genadeloos neerschieten van je zelfvertrouwen. Natuurlijk zijn er nu mensen die dit lezen en denken: ‘niet bij mij hoor, niet bij mij, nee nee, mij maakt het niks uit wat anderen op hun profiel plaatsen, nee hoor, nee, nope ik niet’.

Nou, mij wel. Soms verander ik bij het bekijken van mijn Facebookpagina in een groen, jaloers monster. En je kunt het ontkennen, maar van binnen weet je dat ook jij wel eens een digitale bazooka op je onlinevrienden zou willen afvuren. Zoals die keer dat jij thuis zat en je beste vriend op Ibiza aan het feesten was. Wat jou natuurlijk niet uitmaakt, want het is echt heus, nee echt, heerlijk om op zaterdagavond op de bank televisie te kijken. Of die keer dat je huisgenoot naar Kenia ging om kraaltjes te rijgen met kansloze jongeren en jij in Nijmegen aan je scriptie zat te werken. Weet je zeker dat je haar niet door je beeldscherm wilde sleuren? Of praatte je het voor jezelf goed door te zeggen dat wat jij doet ook héél betrokken is? (Dat werkt bij mij vaak). En wat zou je graag je ex-vriendin met terugwerkende kracht vergiftigen omdat zij met haar nieuwe ‘poppedopje’ op het strand ligt, terwijl jij vanochtend stiekem het huis uitvluchtte terwijl je meisje-voor-een-nacht stond te douchen.

Maar, schrijven diverse artsen in een recent onderzoek: wees niet bang! Facebook geeft niet de werkelijkheid weer! Mensen schrijven namelijk alleen maar leuke dingen op hun profiel. Eigenlijk zijn al je vrienden ook! Heel! Saai! En hoewel jaloezie niet een van de fijnste karaktereigenschappen des menschens is, laten we alsjeblieft allemaal blijven roepen hoe fantastisch ons leven is. Dat is namelijk altijd nog beter dan zelfmedelijden.

Jacqueline’s laatste jaar: Te groen

Kinderfeestje gone bad, dat is St. Patricksday. Het is de dag waarop iedereen de sterfdag viert van ene Patrick – een soort Sinterklaas – alleen kwam deze het Christendom brengen. De dag (17 maart), en de avond ervoor, zijn nog het beste te omschrijven als een combinatie van carnaval, Koninginnedag en veetransport. Maar dan groen. Iedereen tussen de 1 en 14 jaar is groen, alle mensen ouder dan 14 jaar zijn ook groen. En dronken. Ik had veel verwacht, ik kom immers uit Brabant en weet hoe carnaval eraan toe gaat, maar dit… dit had ik niet aan zien komen. Dronken mannen verkleed als klavertje drie, groene meisjes in bikini en gewelddadige Ierse moeders. I’ve seen it all.

Maar het kan erger. Er is maar één ding op de wereld erger dan groengeschminkte gingers en dat is: nee wacht, eigenlijk zijn er twee dingen erger dan groengeschminkte gingers: groene Guinness en een rij om de McDonalds binnen te komen. Hoewel die eerste ook verschrikkelijk is, wil ik het toch over die tweede hebben. Een rij. Voor. De. McDonalds. Dat is zoiets als vechten over wie er als eerste een rol wc-papier en een stuk geel plastic op mag eten. En ik sta in de rij.

Achter me knijpt een dronken harp me in mijn kont, voor me krijgen drie draakjes van een jaar of vier een woedeaanval. Een norse beveiliger pakt me ruw bij mijn arm en duwt me naar binnen, we moeten doorlopen. Via een ingewikkelde wachtrij waar ze bij de Vogelrock in de Efteling jaloers op zouden zijn, komt de kassa langzaam in zicht. Na twintig minuten ben ik bijna aan de beurt. De man voor me bestelt een groene milkshake (mintsmaak, speciaal voor St. Paddy’s), drinkt hem half leeg en boert in mijn gezicht. Achter de kassa zijn 60 mensen aan het werk, drie per kassa. Een jongen kijkt me aan. Hij is ook een beetje groen, maar niet geschminkt. Hij ziet eruit alsof hij elk moment kan omvallen. ‘Can I help you?’ vraagt hij. ‘I respect you’, zeg ik: ‘I respect you a lot.’