Joep Bos-Coenraad: Regels maken met juristen

Het is woensdag 23 maart, 16 uur 50. Een hoorcollege Burgerlijk Recht II van professor Steven Bartels wordt hervat. Vanaf de lunchpauze hadden actieve medezeggenschappers -niet te verwarren met SIAMezen- pamfletten verspreid waarop werd gewaarschuwd voor nieuw beleid op de juridische faculteit. Dat rijmt, maar is niet grappig.

Studenten die meer dan een jaar uitlopen, verliezen namelijk hun studiepunten. Niet omdat de stof verandert, maar omdat het kan. Een voorstel van een wanhopig faculteitsbestuur dat werd gesommeerd de facultaire rendementen op te krikken. Hoewel het voorstel nog geen formele goedkeuring heeft in de onderwijs- en examenreglementen (OER), heeft het als plan vast draagvlak bij de medezeggenschap. De onderdeelcommissie (OC, medezeggenschapsorgaan van het personeel) heeft zestig procent van de stemmen in de facultaire vergadering en zal tijdens haar instemming met dit mysterieuze staaltje rendementsverbetering een minder helder moment hebben gehad.

Bartels, sinds juli vorig jaar vice-decaan onderzoek aan de faculteit, had tijdens de koffie het pamflet in handen gekregen en was sportief genoeg om dit wanbestuur toe te lichten. Daarmee bewees hij de medezeggenschap een grote dienst, want hierdoor werd de – normaliter nauwelijks geïnteresseerde – massa in de collegezaal geconfronteerd met de plannen. Onmiskenbare weerstand ontstond onder de aanwezigen. Tijd om de troefkaart te trekken: ‘maar dit geldt natuurlijk alleen voor nieuwe bachelorstudenten’.

‘Ohhhhhh’ klonk het gerustgesteld uit de collegezaal. Laptops werden geherinstalleerd voor de highscores mijnenveger. ‘Maar als dit in september ingaat betreft het toch ook onze master!?’, interrumpeerde een oplettende studente. Als gealarmeerde stokstaartjes plopten de studenten opnieuw achter hun laptopschermen omhoog.

Zo ken ik onze juristen weer. Ik herinner mij een vergadering met medezeggenschappers van verschillende faculteiten, ergens in 2009. Vanuit de juridische faculteit wist men te vertellen dat vanaf het volgende jaar aanwezigheid bij werkgroepen verplicht werd gesteld. ‘Alleen voor nieuwe en eerstejaars studenten. Dat hebben we geregeld omdat de cultuurshock anders te groot werd’, voegden de onbaatzuchtige studentenvertegenwoordigers er trots aan toe. Hier worden de nieuwe Lilian Helders (alumnus Nederlands recht, PVV kamerlid) opgeleid: ikke ikke ikke.

Toch niets dan hulde voor de nieuwe generatie studentenmedezeggenschappers die middels deze folders actie voert tegen mechanistische draken, ook voor de volgende generatie. Faculteitsbesturen kaarten dergelijke zaken graag snel af door te beloven dat ze slechts voor de nieuwe generatie ingaan, maar dat maakt krom nog niet recht, en medezeggenschapper ben je niet voor je eigen hachje.

Ik hoop dat de leden van de onderdeelcommissie zich nog eens achter de oren krabben. Is dit de beste manier om kwaliteit en participatie te verbeteren? Ik zou die discussie graag met ze aangaan. Mocht het licht uitblijven, verwen ik ze binnenkort misschien wel met een voorstel waar wel over nagedacht is.

Joep Bos-Coenraad: Moet ik dat weten voor het tentamen?

Voor docenten is het een kwelling, studenten die vragen ‘moeten we dit ook voor het tentamen weten?’. Maar de vraag is hartstikke legitiem. De stof bij een vak is nooit perfect afgebakend. Een student moet bij het bestuderen van de stof en het voorbereiden van een tentamen zichzelf regelmatig de vragen stellen: ‘Is dit belangrijk?’ ‘Moet ik dit letter voor letter kunnen reproduceren?’ ‘Kan ik bij een multiplegok-tentamen het juiste vakje aankruisen?’ ‘Moet ik hier aanvullende literatuur bij raadplegen?’.

Natuurlijk wil een bevlogen docent het liefst dat studenten alles van a tot z bestuderen, maar voor iedere EC van de cursus heeft de student maar 28 uur te besteden. Met een programma van zestig EC per jaar komt dat uit op zo’n veertig uur studie per week. Een studielast die ik bij mijn studie overigens als vrij juist ervaar.

Een student die niet alleen de interessante dingen van de cursus wil bestuderen maar ook zijn vak wil halen, moet zich concentreren op de accenten van de docent. Het uit je hoofd leren van bijvoorbeeld structuurformules, jaartallen en citaten kan erg nuttig zijn, maar is tijdrovend en kan zomaar de aandacht weghalen van onderdelen die de docent *wel* wil toetsen. Dat betekent niet dat de zaken niet behandeld moeten worden. Integendeel. De geschiedenis van een vak, met bijbehorende grote namen, ontdekkingen en jaartallen, zou steevast een onderdeel moeten zijn van iedere cursus. Doden kunnen een vak tot leven brengen. De geschiedenis is een onlosmakelijk onderdeel van een academische cultuur. Toch is het in veel gevallen niet relevant details daarvan te toetsen ten koste van de inhoud.

De grote irritatie rond de gewraakte vraag, komt voort uit een veronderstelde desinteresse van de student. Let de gevreesde nep-academicus-in-opleiding nog op als de docent een onderdeel niet toetst?

Het juiste antwoord dat de docent in de situatie zou moeten geven is eigenlijk even eenvoudig als treffend: ‘Dat is een terechte vraag, daar kom ik aan het einde van het college op terug’.

 

Joep Bos-Coenraad: De beginnende bestuurder

Gerustgesteld nam ik kennis van het aantal PVV-stemmers op de Radboud Universiteit. In het stemlokaal naast onze kantine bleek slechts 1,5 procent van de kiezers een stem op deze partij uit te brengen. Niet verbazingwekkend, een academicus weet beter dan te vallen voor de fact-free politics. PVVers beweren meestal dat ook hoger opgeleiden massaal op de PVV stemmen, maar ook dat spreken de cijfers tegen.

Toch wil ik eenmaal de tijd nemen om de inbreng van de PVV in de Tweede Kamer te beschouwen. De PVV maakt namelijk dezelfde keuzes als veel beginnende bestuurders: alles tot in kleine details regelen. Over het algemeen geldt dat de PVV zoveel mogelijk, vaak onnodige, details op landelijk niveau dichttimmert en vaak is daarbij het provocatief pesten van buitenlanders een grote drijfveer. Gemeentes worden bij voorkeur gepasseerd om naar eigen inzicht treffend beleid te maken, rechters moeten worden afgerekend op strafquota terwijl de politie juist af moet van bonnenquota. Dat laatste lijkt me overigens gelukkiger dan het eerste, maar dat even terzijde.

Vanuit de strategie van de PVV is regeltjeszucht niet zo vreemd. Juist de voor Henk en Ingrid herkenbare details scoren goed. ‘Halalvlees is stom want ritueel slachten is zielig! Er komen animalcops tegen dierenbeulen!’, knorde Henk nog snel voordat hij het laatste hapje van zijn, van verwaarloosde varkens gefabriceerde, frikadel naar binnen propte.

Toch zie je studentbestuurders vaak ook alles in regeltjes vastleggen. ‘Vinden we vijf bestuursleden een streefaantal? Laten we dan een maximum van zeven opnemen in onze statuten, anders wordt het vast een grote chaos!’ Wie kent ze niet, de regeltjes die een vereniging ooit vastlegde, maar die achteraf onhandig bleken. Reglementaire vrijheden kenmerken de vooruitziende student. Wie goed oplet neemt een trend waar: meer ervaren studentbestuurders denken in hoofdlijnen, starters graven zich vaker vast in details.

Tot mijn teleurstelling zie ik de studentenraadsfractie waarvan ik ooit deel uitmaakte, en die ik over het algemeen nog steeds erg waardeer, een vergelijkbare vergissing maken. Zogenaamd om hen te beschermen, en vooruitlopend op een wet die nog moet komen -en er hopelijk nooit komt- overweegt AKKUraatd vertraagde studenten uit te sluiten van compensatie voor bestuursfuncties. Naast onnodig, omdat dit een zaak van de student en de betreffende studentenorganisatie zou moeten zijn, vind ik dat ook nog eens onverstandig: veel verenigingen kampen nu al met schaarste aan competente bestuurskandidaten. Gelukkig betreft het slechts een voorstel. Hopelijk ziet AKKUraatd het licht alsnog.

Tot slot lijkt de hele discussie een hypothetische discussie te worden als de wet van Zijlstra er komt. De introductie van de Halbeheffing is op den duur het einde van studentenorganisaties. Doodzonde van de waardevolle bijdragen die zij leveren aan de academische gemeenschap. Maar er is nog iets: de kans dat PVV-Kamerleden in de toekomst meer degelijke bestuurservaring hebben wordt enkel kleiner.

Joep Bos-Coenraad: Meer van minder is het meest

Als studentenraadslid werd mij ruim twee jaar geleden gevraagd kritisch te reflecteren op het strategisch plan  van onze universiteit. Uiteindelijke zo’n 31 pagina’s tekst over waarom de Radboud Universiteit op veel te weinig internationale lijstjes voorkomt. Maar eigenlijk is het net als een verkiezingsprogramma: de makers lezen ieder woord vijf keer, maar als er geen fout of dwaasheid in staat die een verveelde journalist er na diagonaal lezen uit weet te pikken, wordt het daarna nooit meer gelezen.

Maar goed, je bent een langstudeerder die zijn nevenactiviteiten serieus neemt of je bent het niet: ik heb het zo’n vijf keer gelezen. Een zin uit het strategisch plan die mij is bijgebleven is de volgende: De Radboud Universiteit heeft haar onderzoek gebundeld in onderzoeksinstituten met als doel een optimale onderzoeksomgeving te scheppen met voldoende focus en massa.

Het ging mij niet om het lulkoek-bingo jargon hoor, daar wen je wel. Nee ik werd geobsedeerd door het zinsdeel ‘Focus en massa’. De eerste keer dat ik het las dacht ik dat er een typo in stond, en dat ze ‘focus en masse’ bedoelden. Een exotische notatie voor wat er zou spelen onder het klootjesvolk of zo. Maar neen! De universiteit gaat zich meer concentreren op bepaalde onderzoeksrichtingen en de terreinen die ze onderzoekt gaat ze vol te lijf. Cool. Zou ik ook doen .

Aangezien universiteiten niet alleen onderzoeken maar ook onderwijzen wat zij onderzoeken, heeft ‘focus’ ook effect op het onderwijsaanbod: specialisatie. Het Ba-Ma systeem gaat uit van een brede bachelor waarna je – eventueel ook elders – een masteropleiding kunt volgen. Het gros van deze meer fundamentele bachelorvakken kan daarom ook door verschillende onderzoekers worden gedoceerd. De masteropleidingen kenmerken zich door een meer specialistisch karakter en juist daarom heeft meer focus op masteropleidingen grote meerwaarde. Iedere student volgt de masteropleiding met het meest passende specialisme, in Nederland, of zelfs daarbuiten.

Er is alleen een probleem. Universiteiten willen hun masterstudenten allemaal binnenboord houden, waardoor objectieve informatie over het onderwijsaanbod elders bijna niet te vinden is. Dat komt vooral door de maffe financiering vanuit de overheid. Masterstudenten leveren immers veel meer geld op dan bachelorstudenten. Maar er is nog een reden: Nederlandse universiteiten hebben met elkaar afgesproken over en weer geen posters of ander promotiemateriaal te verspreiden voor hun masteropleidingen. Dit om te voorkomen dat er een wedloop zou ontstaan om de masterstudent, waaraan onnodig veel tijd en middelen zouden worden verspild, wat weer ten koste van het onderwijs zou gaan.

Als Nederland echt wil investeren in een kenniseconomie, zouden we landelijk een objectief overzicht moeten maken van het diverse masteraanbod in Nederland zodat iedere student de meest geschikte masteropleiding vindt. Overigens zou objectief voorlichtingsmateriaal voor bacheloropleidingen ook geen onverdienstelijke investering zijn.

Joep Bos-Coenraad: De langstuderende parasiet

Van de categorie ‘moslims, werklozen en communisten’ heeft de onderbuik van Nederland een nieuwe ‘as van het kwaad’ toegevoegd: de langstudeerder. De langstudeerder zou nog geen twaalf uur studeren per week kunnen opbrengen en vreet uit de ruif van Henk en Ingrid. Dat is het beeld dat de regeringspartijen, inclusief de PVV, succesvol framen bij Telegraaf-lezend Nederland.

Deze lezers leven in de veronderstelling dat ‘academische parasieten’ zolang zij studeren studiefinanciering krijgen. Dat studiefinanciering nog onvoldoende is om een gemiddelde bezemkast van te kunnen huren, laat staan collegegeld en levensonderhoud van te financieren weet zelfs de Nijmeegse docent niet: uit de januari-ANS van 2010 bleek dat zij het bedrag van de studiefinanciering zo’n 2,5 keer te hoog inschatten.

Langstuderen was al nooit goedkoop. Een student met een uiterst bescheiden leefpatroon heeft al snel meer dan 8000 euro per jaar nodig voor de meest basale zaken. Een eenvoudig optelsommetje: 1600 euro collegegeld; 12 x 50 euro verzekeringen; 12 x 300 huur; 12 x 150 euro kosten levensonderhoud (voedsel, kleding, telefoonrekening, etc.) en ongeveer 650 euro jaarlijkse incidentele kosten (fiets, telefoon, computer, wasmachine, eigen risico ziekenhuisbezoek, etc.). Samen: 8250 euro per jaar.

En dan heb ik het nog niet over luxere zaken als vakanties, stappen, boeken, muziekinstrumenten, sport, overig vervoer, etc.

Gedurende de formele studieduur krijgt een uitwonende student een basisbeurs van zo’n 250 euro per maand. Na de formele studieduur vervalt de basisbeurs. Op jaarbasis scheelt dat dus 3000 euro. Dat lijkt mij langstudeerboete genoeg! De staat betaalt aan deze studenten geen cent extra.

Maar naast deze misvatting is er een hardnekkig misverstand dat langstuderen ook duurder is voor de instellingen. Dat instellingen alleen geld krijgen voor de nominale duur van de studie hoor je de roeptoeter-partijen niet vermelden. De suggestie wordt gewekt dat een student opleiden per jaar altijd ‘ongeveer’ het instellingsgeld van de opleiding kost. Voor een Nijmeegse Masteropleiding ligt dat bedrag dit jaar bijvoorbeeld tussen de 6.310 euro en 12.615 euro.

KOLDER! Een student die modaal studeert kost dit bedrag wellicht, maar een student die uitloopt volgt zelden ieder jaar het volledige programma! Wat zijn de kosten die een student veroorzaakt? Dat zit voor een groot deel in de deelname aan werkgroepen, practica, tentamens die moeten worden nagekeken etcetera. Maar veel langstudeerders volgen niet ieder jaar dat zij studeren een vol programma. Door een scriptie die niet wil vlotten, een stage die uitloopt, bestuurswerk, ziekte of bijvoorbeeld een bijbaan, volgen langstudeerders een groot deel van hun studie geen onderwijs, waardoor het beslag dat ze leggen op het onderwijssysteem in de extra tijd minimaal is! Ik zou bijna durven stellen dat in veel van deze gevallen het wettelijke collegegeld nog teveel is om de kosten te dekken.

Uitzonderingen van studenten die zich wel jaar na jaar voor dezelfde cursussen inschreven om vervolgens te falen zijn ongetwijfeld te vinden. Daartegenover zijn echter veel maatregelen te bedenken die minder mechanistisch en allesverwoestend van aard zijn. Bestraf desnoods het falen in deelgenomen onderdelen. Inschrijftijd is een slechte graadmeter, tenzij men de academische gemeenschap zo efficiënt mogelijk af wil breken.

Aan ratio heeft dit kabinet helaas weinig boodschap. Zijlstra studeerde destijds sociologie met zo’n zes tot acht contacturen per week en een weinig uitdagend programma. Dat hij toen nauwelijks werd uitgedaagd is voor hem het bewijs dat geen enkele student wordt uitgedaagd. Hypotheekrenteaftrek en de AOW mogen niet of met de grootste voorzichtigheid worden bijgesteld, maar de onderbuikbevredigende langstudeerboetes kunnen zelfs met terugwerkende kracht worden ingevoerd. ‘Nee erg netjes is het niet, maar we hebben het geld nu eenmaal nodig’, reageert Zijlstra daarop bij Pauw en Witteman.

Studenten zijn geen heilige Telegraaflezers, daar hoeft dit cliëntele kabinet blijkbaar niet fatsoenlijk mee om te gaan. Het krijgt steeds meer ‘eigen volk eerst’ trekjes.

Joep Bos-Coenraad: Mislukking

‘De multiculturele samenleving is mislukt,’ zei Maxime Verhagen volgens het AD van afgelopen dinsdag. Zijn partij deed het al een tijdje niet zo goed meer in de media. ‘Wat Wilders en Merkel kunnen kan ik ook!’, moet Verhagen gedacht hebben. Maar wat impliceert hij eigenlijk?

Een samenleving met meerdere culturen is mislukt. Potjandorie, dat is nogal wat. Mislukt. Mijn quiche was afgelopen weekend bijna mislukt, maar gelukkig kon ik de verbrande randjes ervan afsnijden. Niet alles was verloren. Maar onze samenleving die niet langer uit enkel vrome aardappeletende Christenen bestaat is rijp voor de kliko. Afgeschreven.

De afgelopen halve eeuw zijn er omtrent integratie veel steken gevallen. Gastarbeiders, de eerste grote stroom niet-westerse immigranten, zijn hun eerste decennia in Nederland verwaarloosd door kabinetten met CDA en zijn voorlopers. De gevolgen daarvan zijn inderdaad nog steeds merkbaar. Doodzonde, maar is een samenleving waarin meerdere culturen naast elkaar leven daarmee afgeschreven?

‘In Nederland ontbreekt dat gevoel van trots op eigen land bij autochtonen en trots op Nederlanderschap bij allochtonen’, vervolgt Verhagen. Onze minister van buitenlandse zaken mist het oranjegevoel ook tussen de voetbalwedstrijden door. Opmerkelijk is het dat juist de nationalisten, Geert Wilders voorop, mijn vertrouwen in dit land doen verdampen.

Hoe moet trots op dit land mijn functioneren beïnvloeden? Ik ben vaak trots op mijn vriendin, mijn zoontje, mijn vrienden, en qua communicatie naar Den Haag tegenwoordig zelfs een beetje op het bestuur van onze universiteit! Maar een land betekent voor mij weinig meer dan een tot op zekere hoogte autonoom stuk grond, weinig mis mee overigens. In Nederland wonen gelukkig veel inspirerende mensen, maar helaas ook veel kortzichtige sneue types. Ik ben best bereid te vechten voor vrijheid of mensenrechten, maar niet voor een vlag of een gevoel dat slechts is aangeleerd. Ik ben liever een Nederlandse wereldburger die erkent dat integratie zorg vergt, maar het knokken waard is. Achteloos populisme dat een harmonische maatschappij met verschillende culturen verwerpt, biedt mij geen perspectief. De spruitjes uit 1920 komen niet meer terug, en misschien is dat ook helemaal niet zo erg.

Internationaal ingesteld zijn is volgens mij een van de eigenschappen die een academicus kenmerken. Over grenzen heen kijken. Oordelen op inhoud, niet op komaf. Nieuwsgierigheid. Nuchterheid. Eerlijkheid. Vooruit blijven kijken. Elf jaar langstuderen was voor Verhagen helaas niet genoeg om een academicus te worden. De echte academicus is de nachtmerrie van dit kabinet. Een kabinet dat helemaal niet wil investeren in onderwijs.

 

Joep Bos-Coenraad: exit solo-onderzoeker

Gekscherend zeggen ‘wij beta’s’ wel eens tegen elkaar dat iedere gerespecteerde exacte wetenschapper toch wel een beetje Asperger moet hebben. Dat is niet helemaal uit de lucht gegrepen: we hebben vaak nogal ongebruikelijke hobby’s en regelmatig een ietwat alternatieve wijze van leven en communiceren.

Fascinatie voor techniek, natuurverschijnselen en abstractie verklaren de koppeling tussen de meeste hobby’s en de studierichtingen best aardig. De sociale technieken krijg je er vaak gratis bij.

Het bontst maken sommige die-hard informatici het. De meest briljante programma’s werden in de jaren ’90 ontwikkeld door hackers die zichzelf afsloten van de buitenwereld. In hun kelders met hun computer, een koelkast vol Jolt (cola met extra cafeïne) en een diepvries vol pizza’s werden zij niet gehinderd door een dag- en nachtritme op basis van de zonnestand. Zij sliepen als ze moe waren, aten zij als ze honger hadden, maar er werd tussendoor vooral veel ontwikkeld.

Ik zou liegen als ik zou ontkennen dat de fascinatie voor dit soort levensvormen bij mij groot is. Van mij hoeft het ook allemaal niet zo conventioneel.

So much for nature. What about nurture? Want waar de eerstejaars niet al kluizenaars waren maken de Nederlandse universiteiten ze dat maar wat graag. Helaas beperken zij zich daarbij niet tot bèta’s.

Wat is er aan de hand? Aan de Nederlandse universiteiten onderzoeken bijna zonder uitzondering solisten. Hoogwaardig onderzoek wordt gedaan door zeer hardwerkende onderzoekers, maar van intensieve samenwerking tussen de verschillende onderzoekers is nauwelijks sprake. Met mooie afgebakende vragen weet men elkaar wel te vinden en presentaties worden er voldoende gegeven. Maar hoe vaak gebeurt het nu dat meerdere onderzoekers daadwerkelijk intensief samen naar antwoorden voor een specifiek probleem zoeken? Met het verdelen en delegeren van taken ben je er nog niet.

En zo worden studenten ook opgeleid. Grote kuddes one-man-armies worden afgeleverd. In het verleden oefenden dappere enkelingen nog in het samenwerken dankzij nevenactiviteiten als bestuursfuncties, maar als Halbe Zijlstra straks met zijn onderwijsbegroting het failliet van de studentenorganisaties aanvraagt, zal dat echt tot het verleden behoren.

Het grote aandeel solisten onder de onderzoekers is bovendien niet verwonderlijk, want dat is ook precies waar de Nederlandse studenten op worden geselecteerd: hij die niet wordt afgeleid door sociale futiliteiten kan zich perfect op de studie concentreren. Het opleiden van de solo-onderzoeker is bovendien makkelijker met bijkomstig een practische, en relatief eerlijke, manier van toetsen. Een HBO-projectgroep waar de zwakke helft meelift op de kracht en inzet van de sterke helft is er niet bij. Een rücksichtslose invoering van projectonderwijs lijkt daarom geen ideaal medicijn tegen de kwaal.

Misschien tegen uw verwachting in zouden onderzoekers mogelijk kunnen leren van informatici. Een van de briljantste informatici die ik ken, Kent Beck, was eind jaren ’90 een van de grondleggers van ‘eXtreme Programming’ (XP). eXtreme Programming kenmerkt zich onder andere door een werkwijze waarbij groepen ontwikkelaars gezamenlijk een grote uitdaging tackelen door het in kleinere brokjes te hakken en deze in groepsverband uit te werken. Heldere communicatie, soms door daadwerkelijk in paren te werken, soms door het gebruik van communicatiehulpmiddelen zoals intensief bijgehouden wiki’s, is noodzakelijk. Ontwikkelaars dagen elkaar al tijdens het proces uit om commentaar te geven op elkanders werk. Bij velen moet daarvoor wel eerst een knop om.

Dit soort methodes maken snellere resultaten mogelijk, doordat meerdere mensen tegelijkertijd aan een onderwerp werken en elkaar scherp en enthousiast houden. Hoewel het ene onderzoek het andere niet is, en onderzoeken überhaupt geen software-ontwikkeling zijn, denk ik dat onderzoekers van alle faculteiten van dit soort methodes nog wat kunnen leren. De huidige competitieve tijdgeest vraagt volgens mij niet meer om solo-onderzoekers maar vereist meer teamwork en sociale zwaargewichten. In het bijzonder ook op universiteiten.

Joep Bos-Coenraad: Rechtspraak in het donker

Stel, ik ben HIV/Aids besmet, ik weet dat, en zou zonder u dat te vertellen met u onbeschermd de liefde bedrijven. Een in meerdere opzichten hypothetische situatie, maar stelt u het zich gewoon even voor, dat is wel zo illustratief (oh pap en mam, als jullie dit lezen, stel je s.v.p. even een andere situatie voor).

U raakt besmet en klaagt mij aan voor: het opzettelijk en met voorbedachten rade aanbrengen van zwaar lichamelijk letsel (HIV-besmetting).

Wat gebeurt er? Omdat wij op exotische wijze de liefde bedreven was de kans op besmetting ongeveer 1 op 250; voor medische begrippen groot. De kans werd bovendien vergroot omdat wij herhaaldelijk seks hadden. Toch spreekt de Hoge Raad in een gelijke zaak de vrijer vrij omdat de gebruikte statistische gegevens onvoldoende gewicht geven om te spreken van een aanmerkelijke kans die voor een veroordeling is vereist. (zaak LJN AY9659)

Ik was, voorzichtig uitgedrukt, verbaasd toen ik het las, maar met verrassende uitspraken staan arrestenbundels vol. Die ga ik als eenvoudige scheikundige echt niet allemaal lezen en al helemaal niet allemaal in mijn column aanhalen. Het zou me wat worden.

De reden dat ik hier toch over begin, is dat ik u wil laten kennismaken met de mij fascinerende, bijna poëtische, noot, die onze eigen Nijmeegse hoogleraar strafrecht, Ybo Buruma, aan het oordeel toevoegt. Na een technische beschouwing van het proces eindigt hij:
`Liefde kan pijn doen en hartstocht kan ons in het verderf storten. Beide worden gekenmerkt door het vertrouwen dat wij de ander schenken in het besef dat deze dat vertrouwen kan beschamen – dat besef maakt de betekenis van de liefde van de ander des te waardevoller. Bescherming van de overheid tegen de mogelijke imperfecties van de ander, banaliseert die overgave. Voorts is seksualiteit een domein waarin verlangen en gêne eraan bijdragen dat volstrekte openhartigheid ondanks alle intimiteit niet vanzelf spreekt. Wat zich in de slaapkamer afspeelt onttrekt zich aan de gebruikelijke rationaliteit en moraliteit – en dat maakt het erg moeilijk wat daar gezegd en gedaan wordt in een juridische context te plaatsen. Wat zou liefde zijn zonder overgave? En kan lust zonder verleiding? Daar hoort de straffende overheid buiten te blijven, zolang we ons in vrijheid aan de risico’s die daarmee gepaard gaan bloot stellen. Een niet-totalitaire rechtstaat erkent dat persoonlijke relaties hem in beginsel niet aangaan, zelfs niet als hij met de beste bedoelingen mensen zou willen beschermen tegen pijn en verderf of hen zou willen troosten wegens het oplopen van een gevreesde ziekte.’

In de dimensie waarin wij de liefde bedrijven, kennen wij geen garanties noch transparantie. Dat is precies de kers op de taart. Een taart waar onze rechtstaat niet van hoeft te snoepen. Dat u het weet.

Voor vannacht: veel plezier, wijsheid en vertrouwen gewenst. Truste.
 

Joep Bos-Coenraad: Fatsoenlijk onnozel

Vrijdag 21 januari vond de grootste onderwijsdemonstratie sinds 1988 plaats. Bijna duizend hoogleraren uit het land en een kleine twintigduizend aanvullende demonstranten verzamelden zich in Den Haag om een geluid te laten horen tegen de ordinaire onderwijsbezuinigingen van Rutte 1. Op het Malieveld verweet Halbe Zijlstra de massa “het gebrek aan fatsoen ook eens te luisteren naar een ander”. De menigte was de hele dag nog niet zo stil  geweest, maar dat de massa niet naar hem wilde luisteren stond op zijn briefje, waarvan hij al maanden braaf voorleest.

Fatsoenlijk luisteren, laat dat maar aan Zijlstra over. Het advies van commissie Veerman: “sluit hoger onderwijs uit van bezuinigingen”, was links geneuzel van een afvallige CDAer. Halbe stelt de demonstranten bijna gerust: “Deze maatregelen zijn nodig om te voorkomen dat jullie in de toekomst veel geld moeten betalen om de staatsschuld af te betalen”. Oohhhh gelukkig! Als we de rekening van doorgeslagen villasubsidies en veel te dure vliegtuigjes, enkel goed voor de Amerikaanse oorlogsindustrie, op de borden van studenten plempen, hoeven zij later niet zo’n hoge staatsschuld af te betalen. Rekenen 2.0! En wie is überhaupt geinteresseerd in kwaliteit als er platte cijfers zijn die uitdrukken hoe rap studenten afstuderen?

Met de juiste financële prikkels kunnen zij eenvoudig wat sneller door hun studies gepompt worden. Alleen zeurkousen doen ‘huilie huilie’ over de scherpe randjes van opleidingen die verloren gaan. Bijzaak dat een universitair diploma straks niet meer waard is dan een uitverkoop-exemplaar van Hogeschool Inholland. Ruim vier jaar geleden -ich bin auch ein langstudeerder- haalde ik een 7 voor het bachelorvak statistische thermodynamica. Dat was een van de hoogst gehaalde cijfers. Ik daagde de docent een beetje uit met de vraag: “Als ik kijk naar de resultaten, is mijn 7 dan eigenlijk geen 8 waard?” waarop ik de geslepen reactie kreeg: “Voor een 8 had je gewoon nog beter je best moeten doen. Pas als ik word beloond voor de hoogte van jullie cijfers krijgen jullie tegen mijn maatstaf in allemaal een 9″. Het heeft even geduurd maar het moment is bijna daar.