Welters’ weemoedige wereld: Puur

Puur, dat zijn de mensen in Laos volgens het buurmeisje van mijn neefje met blonde leeuwenmanen dat afgelopen zaterdag een streetdance-voorstelling had. Ze was net terug van twee maanden Zuid-Oost Azië. En aangezien mijn lief en ik de vanaf volgende week maandag een maand door Laos en Thailand gaan fietsen, wilden we dus wel even weten wat haar ervaringen waren aldaar. Puur dus, volgens het vrolijke Hollandse buurmeisje dat even twee maanden eruit moest na haar afstuderen. Nog echt levend van dag tot dag. Hun kostje bij elkaar scharrelen en eeuwig lachend ‘saba di’, goedendag roepend naar de al even vrolijke toeristen met te bleke huid en te groot lichaam. De piepkleine Laotiaanse kindertjes met snottebellen kun je reuzenblij maken met een simpel ballonnetje.

We waren er via de ‘eenzame planeet’ al achter gekomen dat de Laotianen vriendelijk, boeddhistisch en straatarm waren, met een inkomen van omgerekend 50 eurocent per inwoner per dag. En dat er eigenlijk maar één grote geasfalteerde en begaanbare weg door het land slingert dat zes keer zo groot is als Nederland en zes miljoen inwoners telt. Dat het land door de Fransen gekoloniseerd is, met als gevolg dat je er nu nog in de wat grotere plaatsen koffie en croissants kunt krijgen, maar men zich in het gemiddelde dorpje met – ongetwijfeld pure – lemen hutten met strooien daken gewoon alles consumeert wat voorhanden is: veel rijst, soms wat groente, soms een gevangen vogeltje of op hoogtijdagen een nauwkeurig gegrilde rat.

Puurheid, onbevlektheid, ongereptheid, ook wij zullen er naar op zoek gaan de komende maand. Maar als langeafstandsfietser ben je toch wat minder gefixeerd op de geweldig pure highlights in de vorm van grotten, via motorritjes (sic!) te bedwingen exotische natuurpracht en de authentieke cultuurbelevingen van ongerepte boeddhistische bergvolken. Als er maar eens in de 100 kilometer veel eten en een bed is, denken wij dan. En als de weg maar begaanbaar is en niet vol met dronken of gedrogeerde vrachtwagenchauffeurs.

Puur, dat zijn ook sommige van de essays die ik vanochtend ontving als sluitstuk van mijn cursus sportfilosofie voor natuurwetenschappers. De scribenten willen geregeld terug naar de pre-commerciële fase van de sport. Toen amateurisme nog de norm was en toen de Tourrenners nog geen in de windtunnel ontworpen tweewielige bolides van carbon met een Calimerohelm op bestegen, maar in eindeloze etappes met twee over de borst gekruiste tubes op derailleurloze bakbeesten onverharde geitenpaden beklommen.

Puur is ook de extreem consequentialistische Australisch-Amerikaanse rechtvaardigheidsfilosoof Peter Singer, met wie ik gistermiddag met een zeer select groepje studenten mee in debat ging. “Staat er een flesje mineraalwater of een blikje frisdank naast u op tafel terwijl u dit leest? Als u voor uw drankjes betaalt terwijl er veilig drinkwater uit de kraan komt, hebt u geld over voor dingen die u niet echt nodig hebt. 1 miljard mensen ter wereld moeten elke dag zien rond te komen van minder dan u betaald hebt voor dat blikje frisdrank of flesje water.”

Welters’ weemoedige wereld: Handen schudden

Afgelopen vrijdag moest een student bij mij op het matje komen omdat hij en zijn kompaan verstek moeten laten gaan voor een eindpresentatie. Hij was net terug van twee weken verblijf in Duitsland in het een of andere hersenscanlab – dé hit in deze tijden waarin menselijk gedrag wordt gereduceerd tot in serie geschakelde, vurende neuronen die zichtbaar kunnen worden gemaakt als rode vlekken op een scherm. Bij wederkomst in kikkerland was hem opeens te binnen geschoten dat hij en evenknie aanstaande vrijdag verhinderd zijn op de dag des oordeels voor studenten van een – om jurisprudentie te voorkomen – niet nader gespecificeerd vak dat ik geef.

Wat nu? Tja, wat nu? Dat betekent voor Smith & Jones extra hard werken aan het in elkaar zetten en theoretisch doortimmeren van de eindpresentatie die ze met twee lotgenoten geacht worden te geven aanstaande vrijdag, legde ik uit. Zodat de twee andere protofilosofen het voorwerk voor het voetlicht kunnen brengen. En parallel daaraan een individueel essay schrijven. Even verdomd flink doorpakken dus voor S & J.

Een elegante oplossing met een moraal (bedenk zoiets voortaan godverdomme eerder!), die hopelijk goed zal uitpakken voor alle partijen. Formeel licht ik hiermee vast de hand met een of meer procedures in voorkomende gevallen. Maar onderwijsethisch lijkt me mijn Salomons-oplossing alleszins verdedigbaar.

Bovendien weet ik uit ervaring dat studenten uit het natuurwetenschappelijk spectrum nogal recht voor de raap zijn. Als ze een keer te laat met half geloken op het vrijdagochtendcollege binnen komen brommen ze gewoon: ‘Sorry meneer, gisteravond teveel gezopen.’ En sturen niet na drie weken absentie een met spelfouten gelardeerd mailtje waarin ze zeggen dat ze er even tussenuit moesten omdat oma een mentaal dipje had vanwege het overlijden van haar stokoude suikerzieke hondje. (Ik verzin dit niet).

Na afloop van ons indringende gesprek gaf de berouwvolle zondaar, op wiens voorhoofd inmiddels wat zweet parelde, een onhandige maar welgemeende hand als een kolenschop. En beloofde plechtig om voortaan wat nauwkeuriger en planmatiger te werk te gaan, ook als het een reflectievak betreft en geen hogere toegepaste technische wiskunde.

Dit is paideia, zoals de oude Grieken het noemden: de opvoeding van jongelingen tot echte persoonlijkheden, tot afgeronde eindvormen waarin de menselijke natuur in al zijn soms ondoorgrondelijke modaliteiten tot bloei kan komen.

Vanmiddag krijg ik overigens zelf de maat genomen. Ik moet verschijnen voor de dezer dagen plaats grijpende visitatiecommissie biomedische wetenschappen. Om daar het communicatie-afstudeerprofiel uit te leggen en te verdedigen. Het protocol is smetteloos strak: ‘Om geen kostbare gesprekstijd te verliezen geeft de commissie er de voorkeur aan om geen handen te schudden bij binnenkomst.’

Welters’ weemoedige wereld: Johannes, de woorden en de dingen

‘In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is.’ Zo begint het Bijbelse evangelie van Johannes.

In de latere middeleeuwen gaan sommige monniken zich afvragen of de woorden echt naar dingen in de werkelijkheid verwijzen, of dat het – zoals het woord al suggereert – slechts woorden zijn, benamingen, nomine. Zoals in nominaal: de naam betreffende, naar de naam. En dus niet zozeer: naar de essentie.

In de laatste zin van Umberto Eco’s magistrale De naam van de roos staat het kernprobleem van onze moeilijke omgang met woorden als volgt genoteerd: Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus. Ofwel: De roos van voorheen bestaat als naam, naakte namen houden wij over.

Maar die voorzichtig naar nog een sprankje betekenis tastende tijd is voorbij. Het gekke van de hedendaagse woorden is dat ze weer volstrekt Johannitisch zijn geworden. Het kamerscherm tussen het ding als ding en het woord als betekenisaanduider dat het concrete ding in al zijn grilligheden in zijn geheel kan vangen, is weggetrokken.

Eerst is er het woord. Vervolgens ontstaat de nieuwe werkelijkheid. Eerst is er de afkorting ADHD. En vervolgens zijn er opeens hele volksstammen van jongelingen die die aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit plotsklaps ergens in hun constitutie hebben zitten. Eerst is er het woord interactief, vervolgens hangt alles met elkaar samen en ontstaat er een vierde thermodynamische hoofdwet: alles en iedereen moet altijd en overal met iedereen in contact kunnen staan. Eerst is er het woord marktwerking, vervolgens is alles marktwerking. Eerst is er het woord crisis, vervolgens is er ook een crisis, ook al vreet iedereen zich nog net zo overvol als voordien.

Met de werkelijkheid is het slecht kersen eten. Als het werkelijk waar is dat zonder het woord het ding niet het ding was geworden dat het geworden is, kunnen we maar beter woorden bedenken die weinig schade aanrichten.

Misschien moeten we daarom terug naar het realistisch symbolisme van Frederik van Eedens De kleine Johannes. In slaap vallen, verkleind worden door een libel die een elfje blijkt te zijn en meegenomen worden naar een andere dimensie, die we geneigd zijn fantasiewereld te noemen, maar die dat welbeschouwd niet is. De kleine Johannes kiest uiteindelijk niet voor het grote licht, maar voor de mensheid en haar weedom. Mooi weemoedig woord ‘weedom’: smart, leed, droefheid. Als we daar weer mee kunnen leven, wordt de werkelijkheid vast weer een stukje draaglijker.

Welters’ weemoedige wereld: Andermaal de Duitsers

Ik heb op deze plek al eerder de loftrompet gestoken over Duitsers. Ze hebben grote filosofen en prima studenten die in groten getale de Westgrens oversteken, in rap tempo Nederlands leren en echt iets toevoegen aan de academische diepgang die we hier in Nijmegen nastreven. Ze verliezen grote oorlogen en winnen grote voetbalkampioenschappen.

Afgelopen week had ik een dagje een stevige representant van die cultuur, die tot in lengte van dagen verheven zal blijven boven ons pragmatisch polderprutsen, op bezoek: de Duitse collega-sportfilosoof dr. Arno Müller. Een goedlachse en goedgevulde eik van een kerel die in Leipzig met de ietwat kleinerende titel Junior-Professor door het leven moet gaan. Anders dan hier moet je in Duitsland namelijk wel een aantal stevige lakmoesproeven ondergaan wil je die eretitel binnenslepen.

Arno is de onnodige bescheidenheid in het kwadraat. Na afloop van onze eerste kennismaking op een congres in Praag herintroduceerde hij zichzelf per e-mail als ‘Hi, remember me? I’m that big fat guy from Germany who always smokes cigarettes during philosophy of sport meetings’. Nadat ik hem donderdagavond laat ophaalde van de trein en met hem nog wat ben gaan eten en inderdaad ook wat gaan drinken verzorgde hij de volgende ochtend een okselfris gastcollege dat de studenten nog lang zal heugen.

Moeiteloos en speels vervlocht hij metersdiepe inzichten over het belang van Martin Heideggers diep-Teutoonse gedachten over de immer op de loer liggende dood(de authentieke mens leeft zijn leven in het besef van een Sein-zum-Tode) in relatie tot high risk sports (ongezekerd bergbeklimmen, downhill mountainbiken etc.) met vederlichte ironie en soms zelfs bitterzure spot.

Dat hoogdravend gezeur over rechtvaardigheid en gelijke kansen in sport bijvoorbeeld. Topsport is allesbehalve eerlijk. Wie het tot topbasketballer wil schoppen moet onevenredig bedeeld zijn met lengte. En trouwens, alle voetbal is welbeschouwd gebaseerd op bedrog. Als Lionel Messi een goudeerlijke jongen zou zijn zou hij gewoon voor de kortste weg naar het doel moeten kiezen. En niet voor supersnelle seriële schijnbewegingen die hele reeksen van amechtige verdedigers op het verkeerde been zetten.

Nederland – Duitsland, dat is de confrontatie van de boosaardige kabouter Wesley, de geniepige zuiger Mark van Bommel en de motorisch uitgedaagde Joris Mathijsen met de aristocratische spits Mario Gomez, de maatschappijkritische verdediger, wereldverbeteraar en aanvoerder Philipp Lahm en de fijnbesnaarde baltovenaar Mesut Özil.

Nederland-Duitsland, dat is misplaatst superioriteitsgevoel en boosaardige verongelijktheid tegenover doorleefde klasse uit een land van grote dichters en denkers. Dat de diepgang moge winnen. Zowel ter universiteite als op de groene mat.

Welters’ weemoedige wereld: Erbens natuurijs

Erben Wennemars nam gisteravond tijdens een LUX-debat Voorbestemd voor goud. De betekenis van genetisch onderzoek voor sport de gelegenheid te baat om reclame te maken voor het ‘goede’ product dat hij onlangs via AH in markt heeft gezet: Erbens Natuurijs (hahaha, zei hij er zelf meteen maar achteraan), gemaakt van – jawel – biologische yoghurt.

Op zijn site: ‘Erben is ex- schaatser en stond al van jongs af aan elke winter op het ijs achter de familieboerderij in Dalfsen. En als het niet vroor dan hielp hij zijn vader met het melken van de koeien. Erben is dus gek op ijs. IJs om op te schaatsen en lekker ijs om op te eten. Maar dan wel zonder gedoe en poespas. Natuurlijk dus. Daarom is Erbens Natuurijs lekker én biologisch.’

Over genetisch onderzoek ging het gister trouwens niet echt, uiteindelijk. Want genetisch onderzoek naar de vroegtijdige detectie van talent staat nog in de kinderschoenen. Bovendien, zo insisteerde natuur-Erben terecht, talent is vooral een kwestie van én erfelijke aanleg én gunstige omstandigheden (in zijn geval een rijke boer als vader die wel in zoonlief wilde investeren) én liefde voor de uitputtingsslag die sport heet. 

En de wil om uit te blinken, ergens de eerste in te willen zijn, natuurlijk. Zijn 11 jaar jongere broertje, die fysiologisch nagenoeg identiek is, lukt de grote doorbraak op het ijs maar niet. Wellicht doordat hij a priori moedeloos wordt van de eeuwige vergelijking met de oudere broer die zeven keer sprintwereldkampioen werd.

Trouwens, Erben is helemaal geen geboren sprinter. Op zijn 17de werd hij Overijssels marathonkampioen op natuurijs, door Erik Hulzebos te verslaan. Later, als lid van de kernploeg is hij tot sprinter omgesmeed. Dus wat nou genetische predispositie voor de felle explosie?

Mooi ook vond ik Erbens pleidooi voor breedtesport. Als elftalleider van de Dalfsense voetbalclub krimpt zijn hart ineen van amechtige hyperobese Overijsselse kereltjes met motorische beperkingen (die misschien wel te veel Erbens natuurijs consumeren). Lichamelijke opvoeding, daar moeten we weer aan in Nederland.

Toch werden we geen vrienden. Dit omdat ik als publiekslid mijn keuze vóór de stelling dat doping onder medische begeleiding best moet kunnen, toelichtte met de opmerking dat ik zelfs voor een totale vrijgave van doping ben, mits gekoppeld aan prima voorlichting over de consequenties van het middelengebruik. Het argument dat de medische wetenschap te allen tijde Hippocratisch moet hoeden over ‘de gezondheid’ van het sportende subject vind ik namelijk paternalistisch.

Bovendien: is topsport niet welbeschouwd juist de ultieme viering van oneerlijkheid in de vorm van overdreven toebedeling van talent? Dat je vervolgens inderdaad nog wilskrachtig moet verzilveren. Maar toch. En maakt vrij dopinggebruik sport daarom juist niet eerlijker? Wie zijn wij om iemand te verbieden om één keer zwaar gedrogeerd een marathon binnen twee uur af te leggen en vervolgens met een gelukzalige glimlach voor eeuwig ineen te zijgen? Dat was natuurijsmens en vertegenwoordiger van de superschone schaatssport Erben Wennemars toch duidelijk een gedachtesprong te ver.

Welters’ weemoedige wereld: Valorisatiecultuur

‘A good many times I have been present at gatherings of people who, by the standards of the traditional culture, are thought highly educated and who have with considerable gusto been expressing their incredulity at the illiteracy of scientists. Once or twice I have been provoked and have asked the company how many of them could describe the Second Law of Thermodynamics. The response was cold: it was also negative. Yet I was asking something which is about the scientific equivalent of: ‘Have you read a work of Shakespeare’s?’

Aldus de Engelsman Charles Percy Snow in zijn beroemde Rede Lecture van 1959, uitgesproken te Cambridge. Waar het deze fysicus annex romanschrijver om te doen was, was het bittere feit dat toentertijd wetenschap vooral nog een kwestie was van mooi, eloquent en met stijve bovenlip spreken over humanioraonderwerpen. En niet zozeer: methodische experimenteren, herhalen en minutieus, compact en zonder fratsen opschrijven van de resultaten van meetbaar onderzoek. Kortom, liever welluidend op zijn Shakespeares dan wiskundig correct over de tweede hoofdwet van de thermodynamica. (Voor wie er even niet op kan komen: De entropie van een geïsoleerd systeem dat niet in evenwicht is, neemt in de loop van de tijd toe, tot het maximum voor dat geïsoleerde systeem is bereikt. Die toestand met de maximale entropie is de evenwichtstoestand.)

Afgelopen jaar hebben mijn collega Luca Consoli (fysicus én filosoof – de 21e eeuwse C.P. Snow dus!) en ik ons in opdracht van de Jonge Akademie van de KNAW beziggehouden met de vraag wat die tegenwoordig in wetenschapsland zo razend populaire term valorisatie nu precies inhoudt. En als we daar de vinger achter hebben kunnen krijgen: hoe kunnen we dat begrip zo inrichten dat dit vooralsnog vooral economisch, utilitaristisch geconnoteerde begrip ook nog wat ruimte biedt voor de in het huidige tijdsgewricht wat zwakkere wetenschappelijke broeders als de kleine letteren, de niet keihard op de hersenpan gerichte psychologische onderafdelinkjes en de niet empirische takken der aloude wijsbegeerte.

Tientallen wetenschappers, politici, industriekapiteinen en beleidspiefen zijn door onze 23 nijvere studenten door middel van semigestructureerde vraaggesprekken aan de tand gevoeld over die zo vaak gebruikte maar moeilijk operationaliseerbare term valorisatie. We zullen het ‘traject’, om een term uit valorisatieland ertegenaan te gooien, eind juni afsluiten met een messcherp essay, een kloek rapport en een ongetwijfeld flitsende slotpresentatie.

Vandaag is er nog een mooie tussenstap in het Heyendaelse kasteeltje. Daar zullen beleidsmakers, wetenschappers en studenten debatteren over valorisatie. Ik zal een korte inleiding houden, die ik zal uitleiden met Luceberts overbekende maar daarom niet minder waardevolle strofe uit het gedicht De zeer oude zingt uit 1974. Want dat wat Snow zich zo vurig wenste – meer aandacht voor harde wetenschap en minder voor de subtiele maar boterzachte praatkunst – is maar al te waar geworden. Daarom zing ik met Lucebert:

Alles van waarde is weerloos.

Welters’ weemoedige wereld: Gladde hartspier en Barolo

De Belgen Renaat Schotte en José De Cauwer als commentatoren bij een grote wielerronde, dat is toch andere koek dan veroordeeld zijn tot Herbert Dijkstra, Michael Bogaard en Maarten Ducrot, het oer-Hollands triumviraat dat vooral bezig is met het ‘lezen’ van de koers zoals die zich op het moment zelf voordoet. Wie doet wat in welke ontsnapping? En vooral: waarom?

Ex-prof zonder noemenswaardige erelijst Ducrot zoekt het succes vooral in het grijze gebied tussen de oren. Maar die heeft dan ook psychologie gestudeerd. Bogaard is de iets succesvollere en iets jongere Hagenees met wat meer oog voor het gegeven dat succesvol wielrennen inderdaad gebaat is bij koersinzicht, maar toch vooral een kwestie is van hart, longen, de juiste spiervezels en eindeloos veel volharding. (Waarbij het de vraag is of toewijding een gevolg is van een gunstig lichamelijk gesternte of andersom of ergens tussenin). Dijkstra, tot slot, is een snel schakelende journalist.

Renaat en José zijn duidelijk uit ander hout gesneden. Ze zijn, kort gezegd, wat levensbeschouwelijker, wat breder aangezet. Afgelopen zaterdag, toen de Giro d’Italia zachtjes richting Alpen schoof, delibereerden ze met hoorbaar genot eerst wat over de grote, zware rondborstige wijnen uit de Piemonte, de voet van de bergen. Neem de Barolo en Barbaresco: stevige maar toch elegante wijnen met een lange afdronk.

Vervolgens stapte ex-renner en ex-ploegleider José naadloos over op het nut van het rijden van een loodzware ronde voor jonge renners. Het grote voordeel van zo’n drie weken lange beproeving is dat ze er gladde hartspieren van krijgen, wist José, in wiens moddervette Oost-Vlaams het centrale lichaamsdeel in kwestie de ‘artspier’ wordt. Renaat moest er een beetje om lachen, maar José was bloedserieus en wist ook haarfijn uit te leggen hoe het zat. Door op relatief jonge leeftijd wekenlang diep maar niet over het randje te gaan, kun je het uiteindelijk tot ronderenner van formaat schoppen.

Anderhalve week geleden gaf ik twee uur college over de onmiskenbare neiging tot psychologisering in de sport. Zo van 90 percent of winning is mental. Dat is maar zeer de vraag. Zie je de mens als een lichaam en een aparte ziel, zoals Descartes? Als bovenal een lichaam, met een vermoeden van zelfreflectie (dat echter welbeschouwd illusoir is – we hebben geen vrije wil, we worden geleefd door ons lichamelijke brein) of juist vooral als geest? Willen is kunnen, dat werk.

Naar mijn idee zijn we bovenal lichaam, al dan niet gezegend met aalgladde hartspieren. In de woorden van de José samenvattende Renaat: “De motor moet dus roderen en wordt nadien performatief.” Wat niet wegneemt dat we daar mooi over kunnen reflecteren. Bij een mooie Barolo bijvoorbeeld. Lang leve de Belgische breedte.

Welters’ weemoedige wereld: Stuurloze ethiek

‘Ethiek ligt bij jezelf en het zou goed zijn als daar in het onderwijs veel vaker bij zou worden stilgestaan.’ Dit betoogde hoogleraar bestuurskunde Michiel de Vries afgelopen vrijdag plenair tijdens de week van de ethiek aan zijn faculteit managementwetenschappen. Immers, ‘van de onderzoeksvraag tot de keuze van het theoretisch kader”, bij elke tussenstap krijgen wetenschappers te doen met ethische vragen. Dus moet er elk college op enigerlei wijze aandacht zijn voor ethiek. De Vries: ‘Nu wordt ethiek gekidnapt door filosofen die doen alsof je eerst Derrida, Kant en Plato gelezen  moet hebben voordat je over ethiek kunt praten.’

Wat Derrida betreft heeft De Vries zeker een punt. Die heeft niets in de melk van de wijsgerige ethiek te brokkelen (en heeft verder trouwens ook weinig om het filosofische lijf). Van Immanuel Kant zou je op zijn minst moeten weten dat hij de geestelijke vader is van de zogeheten ‘deontologie’ of ‘plichtsethiek’: Iets wat slecht is, is altijd slecht. Zelfs al is de uitkomst goed – een martelinkje om bestwil. Of zoals de openingszin Grundlegung zur Metaphysik der Sitten (1785) luidt: ‘Het is geheel en al onmogelijk om in de wereld en zelfs ook daarbuiten iets te bedenken dat zonder restrictie voor goed gehouden kan worden, behalve dan een goede wil’. En natuurlijk ‘s mans beroemde ‘categorische imperatief’: je moet handelen op de manier waarvan je zou willen dat iedereen zo zou handelen.

In plaats van die warrige Derrida zou je als bestuurskundige in de dop wellicht beter iets tot je kunnen nemen van utilitaristen als Jeremy Bentham of John Stuart Mill. Anders dan de vrome Kant vinden die namelijk wel dat het doel de middelen alleszins heiligt. Dat wat goed is, staat gelijk aan dat wat het grootste geluk brengt aan het grootste aantal mensen: The greatest happiness principle. Waarbij een atoombommetje om een groter onheil te keren dus gewoon geoorloofd is.

Wat Plato betreft, van die voorchristelijke goede man mag je onthouden hij al rept over de kardinale deugden: moed, rechtvaardigheid, wijsheid en gematigdheid. Maar voor een systematische uitwerking van de deugdethiek kun je beter terecht bij tijdgenoot Aristoteles. Temeer daar die allesweter nastrevenswaardige karaktereigenschappen verbindt aan een telos, een doel: eudaimonia, dat ik graag in het in het onderhavige geval net iets welluidendere Engels omzet: human fluorishing.

De Vries suggereert dat elke afzonderlijke wetenschapper zelf wel weet wat goed en slecht is en dat het paternalistisch aan de orde stellen van kwesties rondom goed en slecht op zichzelf voldoende is. De wijsgerige ethiek laat mooi en theoretisch zien dat er grofweg drie systematische grondvormen van ethiek zijn. Voor de concrete Nederlandse politiek heb ik weinig morele hoop. Bestuurskundigen in wording gun ik echter een beter wijsgerig ethisch weten.

Welters’ weemoedige wereld: Omstreden hoorcollege

Welters’ Weemoedige Wereld: Het hoorcollege is niet meer van deze tijd. Aldus kopte de wetenschapspagina de Volkskrant van afgelopen vrijdag. Als nou onschuldige communicatiewetenschappers of sociaal psychologen de afzenders waren geweest, was er nog geen mens overboord. Maar de opstellers van die Jobstijding zijn de Stanford-onderzoekers Charles Prober en Chip Heath. En ze publiceerden hun gevaarlijke idee in het hooggenoteerde New England Journal of Medicine .
Wat blijkt? (Medische) studenten die geen hoorcolleges krijgen, halen hogere cijfers en zijn gemotiveerder dan degenen die wel met de klassieke onderwijsvorm worden geconfronteerd. Prober en Heath: ‘Studenten worden vandaag de dag op ruwweg dezelfde manier onderwezen als toen de gebroeders Wright nog aan het eerste vliegtuig sleutelden.’

Dat gaat geheid gedonder geven, mark my words. Want zoals de Volkskrant ook opmerkt is dit wenkend hoorcollegeloos perspectief dertig jaar terug reeds niet alleen bepleit maar helaas ook doorgevoerd voor álle studenten door de Maastrichtse rector magnificus Harmen Tiddens. Zo van: basiskennis doen de studenten zelf wel op, ze komen naar de universiteit voor ‘praktijkgerichte, spannende oefeningen.’

Ik word zo nu en dan geconfronteerd met de eindmorenen van die Maastrichtse school. Dat van die opgedane basiskennis valt doorgaans reuze mee. Die zit grofweg op het gehusselde niveau van Hans Teeuwens onvolprezen Bijbelsketch. Wie hier niet om kan lachen heeft waarschijnlijk Maastrichts studiehuisachtig, probleemgestuurd en contextloos universitair onderwijs genoten. En als je alles larderen met het epitheton ornans ‘interactief’ praktijkgericht en spannend wilt noemen, dan zit je ook gebeiteld met de Maastrichtse school.

Gelukkig voert de Volkskrant in het kader van wederhoor de Twent Jules Pieters op, hoogleraar ‘curriculuminnovaties’ ( ik verzin dit niet, zou Sylvia Witteman zeggen). Pieters stipuleert dat hoorcolleges ook kostenintensiever zijn dan het organisatorisch gedoe dat werkcolleges en practica opleveren. Bovendien worden studenten daar vaak getrakteerd op problematische probleemsturende en vaardigheidsgerichte docenten zonder veel broodnodige keiharde kennis. In diverse steden zijn studenten al de barricades op geklommen ter verdediging van het hoorcollege, ontnuchtert Pieters.

Colleges voor driehonderd sms-ende intellectuele vlieggewichten lijkt me inderdaad niet erg zinvol. Maar voor groepen tot pakweg vijftig enigszins gemotiveerde studenten is het nog steeds een prima optie om ogenschijnlijk uit de losse pols een met feiten, meningen en historische wendingen doorspekt betoog op te zetten. Tijdens hetwelk na verloop van tijd de nederige studenten ook hun bescheiden zegje mogen doen. These, antithese, synthese.

En wees nou eerlijk, de Maastrichtse methode, die zal nooit een Nobelprijs opleveren. Zelfs niet voor de lieve vrede.

Welters’ weemoedige wereld: Goede intenties, praktische consequenties en Peter Singer

Filosofie is niet per definitie ethiek. Maar weldoordachte ethiek is wat mij betreft wel per se filosofisch. Kortom voorzien van analytische dieptescherpte, geënt op theorie en toetsbare hypotheses. En dus niet zo van wie het snelst, gevatst en platst reageert op Lagerhuisachtige stellingen.

In de wijsgerige ethiek zijn er grofweg twee hoofdstromingen. Enerzijds de ethische theorieën die de intentie waarmee een handeling wordt uitgevoerd als maatstaf nemen. De automobilist die uitwijkt voor een pardoes de weg op springende kleuter en vervolgens per ongeluk twee nietsvermoedende scootmobielende oudjes voortijdig naar de eeuwige jachtvelden helpt is in die optiek goed bezig.

Er zijn grosso modo weer twee onderstromen in die ethiek der goede bedoelingen. De deontologie – of plichtsethiek – gaat ervan uit dat er absolute morele stelregels zijn. Beschouw de ander nooit als middel tot een doel maar altijd als doel op zich. Terwijl de deugdethiek zich vooral richt op preferente karaktereigenschappen. De kardinale deugden moed, rechtvaardigheid, voorzichtigheid en gematigdheid.

Terwijl anderzijds de consequentialisten de gevolgen van handelingen juist als lakmoesproef voor morele kwaliteit nemen. Ethisch resultaatvoetbal kortom, het doel heiligt de middelen. Als je door het doden van 1000 argeloze Taliban-strijdertjes in de dop groter onheil kunt voorkomen, moet je dat vooral niet nalaten. Dé wijsgerige gevolgentheorie is het utilitarisme, naar utility, bruikbaarheid.

Deontologie lijkt vooral in trek bij de levensbeschouwelijk wat steileren. Gods geopenbaarde woord als maatstaf aller dingen, de banvloek over de afvalligen. De in onze contreien immens populaire deugdethiek heeft juist iets rekkelijk, dus zuidelijk katholieks. Je kunt immers alle kanten op met die preferente karaktereigenschappen. Om deze reeks ongezouten vooroordelen af te maken: het utilitarisme is vooral liberaal-Angelsaskisch. Zeg maar pragmatisch in het kwadraat.

De onvoorspelbare wondere werkelijkheid vertoont uiteraard alle mogelijke schakeringen van dit analytische ethische triumviraat. Neem de vigerende lagelandse politiek. Als het vooropgezette utilitaristische doel (geen gezeik iedereen rijk) niet blijkt te lukken dan is dat omdat men met veel morele moed het een of andere moreel stokpaardstelregeltje niet heeft willen overtreden. Nooit ten koste van de huizenbezitters, de WAjongers, de bijstandsmoeders of de Zeeuwse boertjes.

Aanstaande 2 juli is de Amerikaans-Australische filosoof Peter Singer hier te gast. Vegetariër en voorvechter van Animal Rights. De man die menselijke superioriteitsgevoelens graag onderuit haalt. Gehaat door smal denkende gelovigen. Consequentialist bij uitstek. Onder de titel Utilitarianism and the Crises of the 21st Century zal hij spreken over wereldwijde armoede, klimaatverandering, voedselproductie en dierenrechten. Dat is nog eens andere koek dan het klein hypotheekrenteaftrekleed van de politieke koddebeiers waar wij hier te lande momenteel mee zitten opgescheept. Ik ben van de partij.